Categories
schrijfsels

Overpeinzingen op reis deel 2

16 April 1992
Een minuut of wat geleden zijn we de Frans-Spaanse grens overgegaan. Toch altijd weer een spannend moment, die douanekontrole. Voor hetzelfde geld wordt die 3 ton coke in m’n tas ontdekt en dan ben ik de lul. Voor Gert-Jan een gedenkwaardig moment trouwens, die grensovergang, want de eerste keer in zijn nog prille leven. Het moment is ook vastgelegd op tape.
We staan nu alweer enkele minuten stil. Er is één persoon uitgestapt, de jongen die 90 gulden moest lappen bij het vertrek, en het lijkt erop dat er ook iemand is ingestapt, maar dat is een beetje onduidelijk. Nu wachten we ergens op en mensen in de bus vragen zich af op wie dan in ‘s herennaam. Het is dan ook ongeveer kwart over 4 ‘s ochtends. Intussen dwalen mijn gedachten weer af. Naar Evelien, vreemd, maar ik kan haar niet uit m’n hoofd zetten. Naar Barcelona. De geur van de Spaanse vrouw, die nu 2 stoelen voor zichzelf heeft, dringt zich aan me op. “There’s 3 things that smell of fish.” Ach ja, menselijke geuren, men heeft ze niet voor het uitkiezen.
We zijn nu weer onderweg. Ik denk terug aan 2 drie kwart jaar geleden, toen ik de weg Avignon-Barcelona liftend aflegde. Wat een hel. Na 6 uur liften en lopen in de snikhete zon werd ik eindelijk meegenomen door een vervaarlijk uitziende Franse vrachtwagenchauffeur, type redneck, met Confederate Flag in de cabine, en een enorme Dirty Harry gun die hi onder mijn stoel vandaan haalde en onder de zijne legde. “Tegen lastige lifters” bulderde hij van het lachen. Toen hij via zijn bakkie collega’s vroeg of één van hen mij mee wilde nemen naar Spanje was er welgeteld één positief antwoord, dat van een vrouw die me wel mee zou nemen als ik haar de één of andere orale dienst wilde bewijzen als tegenprestatie. Uiteindelijk ging ik de Spaanse grens ging over met een oude man in een bestelbus vol benzine en motor-onderdelen. Bij Girona zette hij me af, en ik ben op een parkeerplaats in slaap gevallen. Een paar uur later nam een Duitse trucker me mee naar Barcelona. Die goede oude tijd.
Zojuist ontbeten in Girona. Het is 6 uur ‘s ochtends. De zure jongen is Rotterdams, vandaar natuurlijk. Hij had er in Figueres uitgemoeten, zo’n 50 km. geleden. Nu mag hij op kosten van Iberbús met de trein terug. “Spanje hè”, waren zijn woorden ten afscheid. Ja, Spanje, heerlijk.
Vanochtend om ongeveer 8 uur zijn we in Barcelona aangekomen. De reis heeft 23 uur en 3 kwartier geduurd. Achteraf leek het niet zo lang als dat het tijdens de reis zelf leek. Barcelona, ik kon het niet geloven. Toen we uitstapten werd ik overweldigd door een gevoel van geluk, opperste vreugde. Alsof ik een verloren gewaande liefde na jaren weer ontwaarde. Yeah!
We liepen naar het metrostation Poble Sec en reden naar het grote station Sants, om de bagage weg te zetten en Xavi’s moeder te bellen. Dit laatste wilde maar niet lukken, en we besloten een taxi (een taxi!) te nemen naar Plaça Catalunya, om de boel wat te verkennen.
Inmiddels zitten we bij Xavi, of liever, we liggen. In bed. Het ruikt naar chloor. Dan kan best kloppen, want de vloer is net gedweild. Helaas hebben we ons nog niet kunnen douchen, want in Xavi’s huis is douche noch wc aanwezig. Het vergt enig aanpassingsvermogen (we kunnen voor 1 piek bij de sauna terecht) maar ach, zo lang we niet ruiken als die vrouw in de bus… God wat stonk dat mens, zeg, we hadden het er nog over. Het Brusselse meisje (één van de Franssprekende dames achter ons in de bus) had er om moeten lachen.
Ik ben doodop. Gertjan slaapt al, en Xavi zit TV te kijken. Het is een aardige jongen. We hebben de godganschen dag gelopen, de bekende routes, Ramblas, Plaça Catalunya, Sagrada Familia en noem zo nog maar een paar naar toeristen stinkende plaatsen op. Ik denk dat ik zo ook nog even ga slapen. Het wordt nog een lange nacht.

Categories
schrijfsels

Overpeinzingen op reis deel 1

15 April 1992
We zitten nu in de bus van Amsterdam naar Barcelona. Het moet ongeveer 4 uur ‘s middags zijn. Het is vreemd dat je, althans zo ervaar ik het op dit moment, ieder benul van tijd kwijtraakt als je zo’n lange en vooral saaie reis maakt. Het regent constant, en op de busvideo wordt een slechte film vertoond, “King Solomon’s Mines”, die ook nog in het Spaans nagesynchroniseerd is. Bij dat soort films klinken de konversaties in de nasynchronisatie alsof men konstant ruzie heeft, en, zoals op het moment van schrijven, een gewoon bad klinkt als een verschrikkelijke neukpartij, zó doen de nasynchronisatiemevrouwen en -meneren hun best om geluiden van goedkeuring voort te brengen.
Tot nu toe verloopt de reis vrij voorspoedig (we zijn Parijs tot op zo’n 100 km. genaderd). Echt slapen komt er niet van, maar dat mag de pret niet drukken. Ik zie geen reet door de beslagen ruiten. Kutregen.
Ik mijmer wat voor me uit. Parijs is nu nog precies 100 km. ver. Wat zal de toekomst brengen? En in het bijzonder, de komende 3 weken? Morgen zullen we in Barcelona aankomen, en dan moet ik nog maar zien of we Xavi, met wie we afgesproken hebben dat we in zijn flat kunnen slapen, kunnen ontmoeten. Hij weet niet waar en wanneer we aankomen, en op zijn werk kan ik ‘m niet bereiken, want morgen is fiesta, want Witte Donderdag. Ah, die kutfilm is afgelopen. Benieuwd wat Cinema Iberbús ons nu zal voorschotelen. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Evelien. Gisteravond was geslaagd te noemen. Ik vind haar wel erg leuk. Ze is mooi en gister was ze lief. Ik ken haar eigenlijk nauwelijks. Ik hoop dat ze het bandje leuk vindt.
Wat een saaie reis. Saaie mensen. De regen is opgehouden. Gertjan zit/ligt naast mij te slapen. Rechts van mij zit een Spaanse dikke vrouw, wier geur mij wat dierlijk voorkwam, toen ze binnenstapte. Ze werd gebracht door haar dochter, in Brussel. Ze heeft 3 woorden tegen mij uitgebracht, in het Frans (“Attention, ta tête!”), toen ik bijna m’n kop stootte tegen de monitor. Ik antwoordde in het Spaans. Naast haar zit een Nederlandse jongen, die toen-ie instapte 90 piek op tafel moest leggen, omdat de datum op z’n ticket niet klopte. Hij schopte een enorme ruzie met de dame van Iberbús en het kwam bijna tot een knokpartijtje met één van de chauffeurs. Het opwindendste moment van de dag. Later stapte hij in en vroeg de chauffeur in krom Spaans “Señor, perdoname por las problemas”. Of hij die 90 ballen nou betaald heeft weet ik niet. Ik heb niet de behoefte hem dat te vragen.
Achter ons zitten 2 Franssprekende dames en daar weer schuin achter een Nederlandse jongen en een Spaanse oude man. Deze laatste zit konstant te ouwehoeren. De jongen kijkt (“Si….si”) chagrijnig voor zich uit.
Ik weet niet goed waar we zijn. In ieder geval voorbij Parijs. Ik ben in de file op de Péripherique in slaap gevallen en toen ik wakker werd waren we op 417 km. van Lyon. De jongen naast de Spaanse oude man kijkt nog steeds chagrijnig. Misschien is hij wel gewoon een beetje verzuurd. Zo ziet-ie er tenminste wel uit.
Hoe laat het nu is mag joost weten. Heb net geslapen en ben wakker geworden door de fantastische muziek die de chauffeurs door de disco knallen. Ik moet zeiken als een beer en heb nu wel zin om even de beentjes te strekken. Volgens mijn berekeningen, en nog meer volgens de borden, moeten we nu ergens bij Dijon zijn.
We zijn nu onderweg in de donkere avond van Midden-Frankrijk. Het is ongeveer kwart voor 10 en het is aardedonker buiten. De maan verliest het vanavond van de wolkjes, vrees ik.
We hebben net gegeten. Het was goed te eten en in ieder geval beter te betalen dan bij de Belgen waar we vanmiddag aten. Er staat een film op, “The Man and the Island” (*) of zoiets, naar een boek van Hemingway. Ik zie er weinig van, omdat ik zo ongeveer onder de monitor zit. Kan me tóch niet concentreren, omdat de nachtelijke snelweg mij teveel intrigeert. Net als vroeger, toen ik met m’n ouders naar Salobre reed.
Salobre. Het is al 11 jaar geleden dat ik daar was. Ik weet me nog wel wat dingen te herinneren, dat het altijd zo vreselijk warm was en stil. Spelend de berg op en neer hollen. Vogeltjes schieten met de windbuks van neef Javi. Mari-Loli uit Valencia. Mooie herinneringen. Ik sprak toen nog geen woord Spaans. Door een speling van het lot, zo noem ik het altans, spreek ik het nu vloeiend. Ik verlang naar Spanje. Misschien, als het mogelijk is, gaan we nog naar Salobre, om opa en oma op te zoeken. Ik vraag me af hoe het met ze is. Ze schijnen nog altijd naar ons te vragen als papa ze belt. Vreemd vond ik dat, om te horen. Om de één of andere reden, die me eigenlijk volkomen onduidelijk is, heb ik altijd gedacht dat ze alleen naar Daniel, m’n broertje vroegen. Ed en ik zijn immers niet hun bloedverwanten, en bovendien heb ik het idee dat ze het maar nix vonden (vooral oma dan), hun zoon met een gescheiden vrouw met kinderen. Katholieken.
Ik merk aan m’n oren dat we snel dalen nu. De nacht wordt nog lang.
(*) bedoeld wordt “The old man and the sea”

Categories
schrijfsels

Bakvis

In het theehuis bij mij om de hoek vertel ik haar dat ik mijn plannen gewijzigd heb; ik ga niet mee naar Mexico, tenminste, nog niet. Ik blijf nog eens 6 maanden hier in Madrid, pas daarna kan ik weg. Ze vat het een beetje gelaten op, maar dat is goed, want ik had een huilbui verwacht. Mijn geweten valt weer terug in haar luie stoel. We praten nog even door over onze plannen om deze stad voorgoed te verlaten en op avontuur te gaan, ze heeft zelfs al besloten op me te wachten! Ik sta versteld.
Na een uurtje lopen we naar buiten. Ze zegt nog geen zin te hebben om naar huis te gaan, en ze vraagt of ze bij mij mag komen zitten. Natuurlijk zeg ik ja, het is altijd goed ouwehoeren met haar en ik heb zelf ook niet echt slaap.
Ze is stil als we naar mijn huis lopen. De weg is stijl en ik kijk naar het beekje pis dat ons tegemoet stroomt vanaf het spuiterspleintje boven. Het stinkt. Ik kijk haar aan maar ze kijkt strak voor zich uit, met haar kaken gespannen.
Als we bij de voordeur staan zegt ze ineens iets.
“Wat zeg je?”
Ik draai me om. Haar ogen staan vol tranen.
“Ik ben bang. Ik wil echt wég hier. Wég.”
Ze begint te huilen. Ik omhels haar, weet niet goed wat ik moet zeggen. Mijn geweten is weer opgestaan, heeft een stuk prikkeldraad gepakt en slaat er rigoureus op los.
“Kom mee naar boven.”
Tussen slokken water en een hevig gesnik door begint ze uit te leggen dat ze bang is voor het leven, het dagelijkse leven dat haar verstikt.
“Niks interesseert me. De mensen hier interesseren me niet. Het leven hier interesseert me niet. Ik moet hier écht wég. Ik wil echt weg. Ik ben geobsedeerd. Ik wil het je vertellen, maar ik durf niet. Ik ben geobsedeerd door een persoon.”
“Dat ben ik.” Even snel als het kwam, verdwijnt de gedachte weer. Om plaats te maken voor Stephen Enkinsma.
Ik zet mijn computer aan. Als ik mijn WordPerfect-bestanden open, zie ik een document waar ik de naam niet van ken. Ik open het. Het scherm vult zich met een woordenbrij waar ik helemaal niets van begrijp. Ik bekijk het eens goed. Sommige letters zijn dikgedrukt. Ik schrijf ze op. S. T. E. P. H. E. N. E. N. K. I. N. S. M. A. “Stephen Enkinsma”? Het lijkt wel een Nederlandse achternaam, maar toch niet echt. Ik roep David erbij. zij kijkt ook op. Ze komt aanlopen. Haar gezicht kleurt donkerrood.
“Wat is dat in godsnaam?” vraagt David.
Ze begint zenuwachtig te lachen.
“Haal maar weg. Het is niks.”
Ze kijkt me dwingend aan, haar ogen waarschuwen me niet verder te vragen.
Ik haal mijn schouders op en druk op delete.

“Weet je nog wat er in je WordPerfect stond, een paar maanden geleden?”
“Stephen Enkinsma, wie is dat?”
Ze draait zich om naar mijn cd verzameling, het gedeelte waar de letter P staat.
“Stephen Enkinsma is Malkmus?”
In het theehuis had ze de zanger van Pavement “de man van haar leven” genoemd.
“Ik had de letters destijds niet goed gemerkt. Ik was dronken. Hij heet Stephen Jenkins Malkmus, voluit. Toen ik Pavement voor het eerst hoorde was ik gefascineerd door zijn stem, ik vond het fantastisch, ik hield meteen van die groep. Ik had ze nog nooit gezien, geen foto, geen interview gelezen. Totdat ik op een dag een Melody Maker in handen kreeg en zijn gezicht op een foto zag.”
Ze begint te huilen.
“En ik bleef maar staren naar dat gezicht, dat gezicht! Ik kon niets uitbrengen, was als versteend, ik wist niet wat ik moest doen!”
“Nou zo erg is dat toch niet” zeg ik, half lachend, voorzichtig.
“Maar dat is toch belachelijk!” roept ze, huilend nog steeds.
“Ik ken die hele vent niet! En ik krijg z’n gezicht niet uit m’n hoofd, wat ik ook probeer. Het is een obsessie, en ik weet niet hoe het te stoppen. En het stomste van alles is, als ik met hem praat valt alle schroom weg, geen enkel probleem. Ik heb hem geïnterviewd, ik heb met hem gedronken, gewoon gepraat, en niets! Maar als ik een foto van hem zie, of als ik zelfs maar aan hem denk, dan ben ik niks meer! En ik kan er niet meer tegen, ik kan het niet.”
Ze verbergt haar gezicht in haar handen. Ze blijft maar huilen. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. “Misschien kende ze hem uit een vorig leven”, en in mij brandt weer die eeuwige strijd los tussen “doe niet zo belachelijk, hippie” en “ja, misschien is dat wel zo”.
“Misschien ken je hem wel uit een vorig leven.”
(In mijn hoofd hamert het. “Jezus, wat klinkt dat toch belachelijk.”)
“Misschien zijn jullie wel voorbestemd.”
(“Man o man wat kun je af en toe toch rare dingen zeggen.”)
“Wat mooi.”
Ik weet niet of ze de spot met me drijft of dat ze het meent.
“Ik heb dit nog nooit tegen iemand verteld.”
“En, lucht het op?”
“Ja, het lucht op. Maar het blijft belachelijk, vind jij het niet raar dan?”
“Nou, nee, of eigenlijk, ik weet niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Raar? Nee, het is niet raar. Het is niet alledaags, maar raar? Wat is nou raar? Ik denk wel dat het steeds minder een obsessie zal worden als je er gewoon over praat.”
“Maar ik kan toch niet tegen jan en alleman zeggen dat Stephen Malkmus mijn obsessie is? Ik bedoel, ik koop alles wat maar iets te maken heeft met Pavement, elk blad met 4 woorden uit zijn mond heb ik thuis liggen, je weet wel, als de eerste de beste bakvis met posters op haar kamer, het is te belachelijk gewoon.”
Maar ze lacht al met me mee. Ik voel me opgelucht.

Categories
schrijfsels

Bookless: Blue

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.

BLUE heeft een blouse genaamd Björk. Blue heeft haar zo genoemd, niet omdat ze Björk zo leuk vindt, maar omdat ze haar doet denken aan de hoes van diens tweede CD zonder de Sugarcubes. De blouse is roze met witte strepen, oranje bloemen en waterblauwe bellen. De strepen gaan alle kanten uit: van boven naar beneden, van beneden naar boven, van de ene kant naar de andere en de meeste diagonaal. De bloemen zijn verdeeld als confetti op het asfalt na een carnavalsoptocht. De bellen volgen het typische traject van de bellen uitgeblazen door een kind waar ook ter wereld.

De blouse genaamd Björk is de mooiste blouse die ik ooit gezien heb, en bovendien staat hij Blue heel erg goed. Ze had hem aan op de dag dat we naar het concert van Pulp gingen, in Finsbury Park. Mijn zus zei dat hij spuuglelijk was, dat ze hem nog niet eens aan zou trekken als ze dronken was. Ik kon ook niets anders verwachten van een Barbie van 20 jaar die het liefst gaat shoppen met mama en naar de Spice Girls luistert. Mijn zus is model, en hoewel ze in alle tijdschriften van de wereld verschijnt, zal ze nooit zo mooi zijn als Blue. Wat ik mooi vind aan Blue is dat ze haar geen cent betalen om mooi te zijn, ze gaat liever naar Pulp kijken dan dat ze gaat shoppen, en bovendien haat ze de Spice Girls. Tijdens het concert in Finsbury Park speelde Catatonia ook. Blue vindt Catatonia geweldig, vandaar dat het toegangskaartje voor het concert het beste verjaardagscadeau was dat ik haar kon geven. Ik had haar niet zo blij gezien sinds de dag dat ik haar Pop, haar kat, gegeven had.

Blue is niet als de andere meisjes die al hun geld uitgeven aan kleren, schoenen en cosmetica. Blue spendeert haar geld aan cd’s en platen. Haar garderobe bestaat in feite uit kleren die ze met kerstmis cadeau heeft gekregen van haar moeder en haar broer, of van mij -want mijn zus geeft mij wat ze zelf niet leuk meer vindt-, en die we van haar tante Lola hebben gejat. Haar tante Lola heeft een kamer vol met kleren die ze in de loop van haar leven heeft verzameld. Gerangschikt op jaar en kleur. haar collectie is indrukwekkend. Ik heb haar nog nooit twee keer met dezelfde blouse gezien. Op een dag zeiden we haar ons wat kleren te geven die ze zelf niet meer zou dragen. Ze weigerde, ze zei dat ze dat niet kon doen, en daarmee uit. De egoïst. Wat ze ook aantrekt, ze ziet er nooit minder lelijk uit dan ze is. wat mijn theorie bewijst dat lelijke mensen lelijker lijken omdat ze slecht zijn, en niet omdat ze lelijk zijn, want soms is het lelijke zó lelijk dat het mooi is, maar als het lelijke slecht is, is het nog lelijker. Ik suggereerde Blue de kleren te jatten als ze ons een keer op haar huis liet passen als ze naar de Caribbean ging op zo’n cruise voor alleenstaanden. Maar ze zei nee, en dat ze dat haar tante niet kon aandoen.

Blue is ook zo’n lieverd. Wat ook weer de andere kant van mijn theorie bewijst, namelijk dat mooie mensen niet alleen mooi zijn omdat ze mooi zijn, maar omdat ze van binnen goed zijn; dat komt naar buiten en dat laat het lelijke, dat iedereen heeft, verdwijnen. En Blue heeft ook een tijd gehad dat ze lelijk was, toen ze tussen de elf en dertien jaar was. Ze was toen onuitstaanbaar. Ze sloot de hond op in de badkamer, en dat arme beest werd dan helemaal gek, als haar oma even niet oplette gooide ze een handvol zout in het eten en dan moest haar moeder pizza bestellen omdat het eten naar de Dode Zee smaakte, ze gooide honing en zand op het dak van de auto van de buren, en ze deed nog een hoop meer dingen waar ze nu spijt van zegt te hebben. Zoals ze ook spijt heeft van het jatten van haar tante’s kleren, maar ik zeg haar dat die daar toch niet achter komt omdat ze zo achterlijk veel heeft. Blue voelt zich niet goed als ze iets slechts doet. En ook niet als ik dat doe. Ik heb haar gezegd dat als we slechte dingen doen, dat niet is omdat we willen maar omdat de mensen -die allemaal slecht zijn- ons daartoe dwingen, en dat het doen van slechte dingen als je geen andere keuze hebt, niet slecht is. Blue haalt diep adem, geeft me een kus en lacht. Daarna, net als iedere dag, doucht ze zich en wast ze heur haar met de shampoo met de kangoeroe erop, of met de L’Oreál voor kinderen die naar watermeloen ruikt en in een flesje in de vorm van een vis zit. Ze doet haar Doc Martens aan en een broek, of haar Birkenstock sandalen en een rokje. En dan zeg ik hoe mooi ze is, en dan lacht ze en kust ze me. Ik zeg haar dat ik altijd bij haar zal blijven en dat ik altijd voor haar zal zorgen. Blue kust me nog eens en ik weet dat ze de slechte dingen die we doen weer vergeten is.

En het ís ook niet slecht om slechte dingen te doen als je geen keus hebt; zoals toen ik de neus brak van haar buurman toen ik ontdekte dat hij haar bespiedde door het raam. Klootzak. Ik had geen keuze, ik kon de gedachte aan die goorlap die zich zat af te trekken terwijl hij aan haar dacht niet van me af zetten. Blue is ook zo mooi. Vooral als ze de blouse aan heeft die ze Björk noemt, en die haar zo goed staat.

Categories
schrijfsels

Bookless: Shoegazers of the World Unite

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.

Het is niet zo dat ik één van de vele shoegazers ben, maar feit is dat ik zo’n 30% van de tijd die ik wandelend doorbreng, naar de grond kijk. Dankzij deze gewoonte heb ik veel dingen gevonden die andere mensen verloren hebben. Ik bewaar ze altijd, als ze me van pas komen op de daarvoor bestemde plaatsen in mijn huis, en als ik er niks mee kan op een andere plaats. Ik heb al een hele collectie hyperkitscherige dingetjes.

Op een zonnige middag in de zomer, ik weet niet meer of het nu juli of augustus was, liep ik met Isabel naar de supermarkt. We staken een straat over terwijl het groene oversteeklicht al aan het knipperen was, en plots zag ik iets glinsterends op de grond liggen. Ik hield onmiddellijk halt, net als de auto waarvan het nummerbord op minder dan 2 centimeter afstand van mijn oor bleef.

Uiteraard lokte mijn onbewuste actie een ongelukje uit: de witte Fiat Tipo die achter de BMW kwam die me bijna overreed, had geen tijd meer om te remmen en knalde er bovenop. Het laatste wat ik hoorde voordat ik me als een dief uit de voeten maakte was een “godverdomme, idioot, mijn God ik reed haar bijna omver”, en het onmiskenbare geluid van een verkeersopstopping: toeterende auto’s en hun luid protesterende eigenaars. We renden zo hard dat we niet merkten dat we de supermarkt al voorbij waren. Mijn hart ging tekeer als dat ene nummer van Ministry, “Jesus Built My Hotrod”. Uitgeput gingen we zitten in het eerste het beste portiek dat we vonden. We waren er zeker van dat niemand ons gevolgd was, de eigenaar van de BMW was hoogst waarschijnlijk in zijn auto blijven zitten wachten op de mensen van zijn verzekering, of op de politieman die hem zou komen zeggen dat hj het verkeer niet op moest houden.

Ik wist wat er komen ging. Als dit soort dingen gebeuren, is het eerste wat mensen doen je wijzen op het feit dat je een idioot bent, dat je niks om je leven geeft of dat van anderen, in plaats van je te vragen of je okee bent of ofje een emmer koud water nodig hebt om onder de levenden terug te keren. Isabel zei niets van dit alles, zij was anders, alsof ze van een andere planeet kwam. Ze omhelsde me, en begon te huilen, blij dat me niks overkomen was. Nadat ze me vroeg of alles in orde was, wilde ze weten wat ik gevonden had. “Een paperclip”, zei ik, en ik legde het object in haar hand. Ze begon te lachen, en ze vroeg me of ik wist dat het schrijvers geluk brengt als ze paperclips vinden. Ik zei dat ik dat niet wist, maar dat ik het alleen daarom al zou bewaren, en dat ik het nooit zou gebruiken. Vanaf die dag vind ik op de één of andere manier allerlei soorten paperclips op de gekste plaatsen: in de metro, in de supermarkt, in het park, in de bus en bij McDonald’s. Ik bewaar ze allemaal. Ik heb er nu genoeg om een gemiddelde familie voorgoed van de gang naar de winkel voor kantoorbenodigdheden te verlossen. Isabel heb ik nooit meer gezien (waarschijnlijk is ze terug naar haar planeet), en in die tijd ben ik erachter gekomen dat ik dat ene ding mis wat de meeste schrijvers wél hebben: talent.

Categories
schrijfsels

Bookless: Thought Thieves

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.

Ze hebben altijd bestaan. Ze zijn er al die tijd geweest. Stil, alles observerend wat we deden, onze woorden, hoe onbetekenend ook, nauwlettend in de gaten houdend.

Ze zijn altijd dichtbij, met hun valse glimlach en die schittering in hun blik, wachtend op een moment van onoplettendheid van onze kant om onze bezittingen in te pikken. Meestal knipogen ze naar ons, al onze goede keuzes vierend, en al onze fouten benadrukkend. En hoewel het niet okee is wat ze doen, toch kan ik ze niet haten, want ik weet dat ze geen andere keus hebben.

Het moet niet leuk zijn om leeg te zijn, en ik neem aan dat als je geen talent hebt, noch enige vorm van intelligentie, je het toch ergens vandaan zult moeten halen. Helaas bestaan er nog geen plaatsen waar je nieuwe ideeën kunt kopen. De tweedehands ideetjes maken meestal niet zo’n indruk, zelfs degenen die into recycling zijn houden er niet zo van. Vandaar dat het stelen van ideeën de enige manier om te overleven wordt: leedvermaak voor de ene, pech voor de andere.

Het probleem van de ideeënroof is niet dat van de diefstal zelf, maar die verwerpelijke gewoonte die de dieven hebben om ze te koesteren, trots op ze te zijn zonder ooit hun oorsprong te kennen. Personen zonder scrupules die in onze levens infiltreren met een stupide glimlach en een geheimzinnige gang. Er is nog steeds geen apparaatje uitgevonden om ze te ontdekken, en omdat ze geen specifieke lichamelijke kenmerken hebben. Ik weet ook niet waarom ze deze verwerpelijke strategie volgen, in plaats van hun eigen potentieel te ontplooien. Er zijn ook mensen die zeker denken te weten dat ze zich in groepen bewegen, dus het is aan te raden om voorzichtig te zijn, mondje toe, enthousiasme verborgen en de vingers gekruist.

Categories
schrijfsels

Bookless: Cigarettes & Alcohol

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.

Iedere keer dat ik denk dat ik het punt heb bereikt dat ik geen adolescent meer ben, en dat ik eindelijk deel uitmaak van de samenzwering der volwassenen, gebeurt er iets dat me er op de meest afschuwelijke manier aan herinnert dat ik nog steeds hetzelfde excuus voor een “normaal persoon” ben als tien jaar geleden. Er zijn dingen die ik in theorie al geleerd had moeten hebben, maar in de praktijk maak ik nog steeds dezelfde fouten. Maar ja, er zijn nu eenmaal dingen die onvermijdelijk zijn, zeker als je inwoner bent van Lalaland. Ik geef nog steeds al mijn geld uit aan muziek, in het volle besef dat ik later niet eens geld zal hebben voor de essentiële levensbehoeften. Maar wie wil er eten of de huur betalen als je gelukkig kunt zijn in stereo? Bovendien kun je altijd nog het volume hoger zetten zodat je de huisbazin die op de deur staat te bonzen niet hoeft te horen.

Ik geloof nog steeds dat ik op een goede dag zal stoppen met het vullen van mijn nachten met schuimende dranken die hoofdpijn veroorzaken, en ik herhaal keer op keer dezelfde zin: ik doe het niet meer, ik zweer het. Ja, alsof dat zo makkelijk is. Ik heb al een andere spreuk klaar om mijn recidive te verantwoorden: lankmoedigheid, geen dwang. Het stoppen met roken, dat is een heel ander verhaal, in feite heb ik het roken nooit lekker gevonden.

Wat ik het meeste haat is dat ik mezelf iedere dag beloof om in ieder geval iets, al was het maar één velletje papier, vol te schrijven, met grote letters en dubbele tussenregels desnoods, maar ik ben niet in staat om ook maar de computer aan te zetten. En ik word hysterisch, iedere keer als iemand me vraagt of ik nog wat geschreven heb de laatste tijd.

En dat is nog niet alles, maar ik zal erover moeten ophouden want ik word er ziek van.

Mijn laatste wens is dat men zich mij herinnert als het succesvolle en schitterende blonde model van 1.90 m. dat ik nooit geweest ben.

Categories
schrijfsels

De dag dat oma voorspelde dat ik een saai gezicht zou krijgen

Mijn oma kwam uit Indonesië. In 1954 kwam zij naar Nederland, met haar 3 kinderen. Mijn oom Ronnie, tante Alice, en mijn moeder, die toen 8 jaar was. Mijn opa, de vader van mijn moeder, was er niet bij; voordat mama geboren was, gingen opa en oma uit elkaar. Oma zei altijd dat opa haar in de steek gelaten had, haar en haar 3 kinderen.

Maar dat was pas later, toen ik er eenmaal achter was dat de opa die in 1978, toen ik 8 was, dood was gegaan, opa Win, eigenlijk niet mijn echte opa was. Hij was de stiefvader van mama geweest, daarom had ze hem altijd “daddy” genoemd, in plaats van gewoon “papa”, of “vader”, of “pa”, in het Nederlands. Dat alles werd me niet verteld tot jaren na opa Wins dood.

Mijn oma was koningsgezind, en zeer katholiek. Elke zondag ging ze naar de kerk, per dag een keer of 5, 6 bidden, kaarsje branden voor opa Win, en voor oma Schön, de moeder van oma. En voor opa Raam, de vader van oma, die in de oorlog door “de Jap”, zoals oma ze altijd noemde, onthoofd was. Hij was een hoge piet geweest bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij, in het bezit van geheimen, die de Jap hem had willen ontfutselen. Maar hij had niet toegegeven, en net voordat de beul zijn bijl op opa Raams nek neer liet komen, had hij triomfantelijk “Leve de Koningin!” geroepen, en het bloed had recht in het gezicht van de beul gespoten. Tenminste, zo vertelde oma het altijd. En oom Heinz, de broer van oma, die in Helmond woonde, en een oorlogsheld was, gemarteld door de Jap. Ze hadden een tuinslang in zijn achterste gestoken en de kraan wijd open gezet. Dat vertelde mama me. Of eigenlijk, niet echt. We zaten een aflevering van “Soldaat van Oranje” te kijken, waarin Peter Faber (geloof ik) gevangen was genomen door de Duitsers, en gemarteld werd op dezelfde manier. Dat werd uitgebreid in beeld gebracht, en tijdens die scene zei mama “net als oom Heinz”. En toen ze mijn vragend gezicht zag, “Jaha, oom Heinz is ook gemarteld, hoor. Door de Jap. Als je denkt dat de Duitsers gemeen waren, de Jap was nog veel wreder. Toen oma in het kamp zat, begroeven ze mensen levend, met alleen hun hoofd boven de grond. En dan lieten ze rode mieren op ze los. Dát is pas wreed.”

Behalve katholiek, was oma bijgelovig. Zo noemde zij het niet, natuurlijk. “Zwarte magie,” zei ze altijd. Ze vertelde over geesten, en over engelen. Honderden keren heb ik het verhaal over de keer dat ze, in hun huis in Jakarta, een keer een man hadden moeten bellen om een bepaalde kamer, waarin het altijd heel erg koud was, terwijl de rest van het huis gewoon warm was, “schoon te maken”, moeten aanhoren. Volgens de man woonde er in de kamer een geest. Die moest weg. Hij deed toen een aantal magische handelingen, en plots was de kamer weer gewoon warm. De geest was weg. Eigenlijk vraag ik me nu pas dat af waarom de kamer zo koud was. Wat maakt het uit of er een geest woont?

En dan het verhaal over de Arabier, compleet met sabel, sik en hoofddoek, die op een nacht aan het bed van oma zat, en haar, toen ze wakker schrok, met fonkelende ogen aan zat te kijken. Gelukkig was hij weg toen oma even met haar ogen knipperde. Dat was ook een geest geweest, want, zo bleek later, het huis was op de plek gebouwd waar vroeger een Arabische begraafplaats had gelegen.

En de engel, die een keer in Toko Bandung achter oma had gestaan. Oma kocht de ingrediënten voor haar Indische gerechten altijd bij Renz, de eigenaar van Toko Bandung, in Osdorp. Op een keer was ze daar, en er waren een hoop mensen in de winkel. Een mevrouw wilde voorkruipen, en oma zei er iets van. De vrouw zei iets lelijks terug, waarop Renz, vanachter de vitrine, zei dat oma zich geen zorgen hoefde te maken, want ze werd beschermd. De vrouw had gevraagd door wie dan wel, en Renz had tegen oma gezegd “Er staat een engel achter U.” Oma zei dat ze nog omgekeken had, maar ze had niets gezien. Maar Renz had het nog een keer bevestigd, en daar bovendien aan toegevoegd dat, ook al zag oma hem niet, die engel stond achter haar, en was er om haar te beschermen.

Dit soort verhalen vertelde oma mij constant. Ik vond het doodnormaal als mijn moeder, of mijn tante, of mijn ooms het over geesten hadden, en engelen, en zwarte magie. Zoals ik er ook niet van opkeek dat mijn oma de toekomst voorspelde. Als ze het over iemand had, om wat voor reden dan ook, zei ze altijd iets over wat er met die persoon zou gebeuren in de toekomst. Dat kon goed of slecht zijn. En dan zei ze altijd “Let op mijn woorden”. Ik nam dan altijd gewoon aan dat het waar was wat ze zei, dat de dingen die volgens haar zouden gebeuren, ook echt waarheid zouden worden. Zonder enige twijfel. Bovendien, als ik het niet geloofd zou hebben, en dat ook nog kenbaar gemaakt had, zou ik meteen een oorvijg gekregen hebben, of een lik sambal, want dat waren de straffen die stonden op het tegenspreken van grote mensen. Kinderen moeten respect hebben voor grote mensen, en helemaal voor de ouderen. Dat was mij althans geleerd. En als ik niet gehoorzaamde, kreeg ik een lik sambal. Of een oorvijg. En later, toen de sambal niet meer werkte omdat ik gewend raakte aan het branderige gevoel aan mijn tong, werd de straf verzwaard. In plaats van een lepel sambal, kreeg ik een halve lombok, verse rode peper, in mijn mond geduwd. “En kauwen!,” werd er dan gezegd. “Dat zal je leren!”

Na opa Wins dood, kwam oma steeds vaker bij ons over de vloer. Ze voelde zich alleen, en zocht het gezelschap van haar jongste dochter en haar gezin. Ze nam mij op zaterdagen mee naar Breda, om een sorbet te eten in het centrum. En terwijl ik het ijs gulzig naar binnen slurpte, zei ze altijd dat ik haar liefste kleinzoon was. Mijn broertje Ruud zei altijd tegen me dat ze dat tegen hem ook zei, maar dat geloofde ik nooit.

Het was tijdens een van die keren dat oma bij ons logeerde, dat mijn moeder, oma en ik in de huiskamer zaten. Ik zat een beetje te lummelen, half televisie kijkend en half luisterend, stiekem, naar wat mijn moeder en oma allemaal te bespreken hadden. Mama en oma praatten altijd over andere mensen, meestal over leden van onze familie die ik me vaag herinnerde van opa Wins begrafenis. Vaak ook over oom Jerry, de andere broer van oma, waar ze al sinds de jaren ’50 mee in onmin leefde. Ze spraken elkaar nooit, maar oma wist altijd alles af van wat oom Jerry en “die kenau”, zoals oma de vrouw van oom Jerry altijd noemde, deden. Dat hoorde ze altijd van oom Heinz, die wel gewoon contact had met zijn broer. Oom Jerry was een redelijk bekende karateleraar. Ik had hem wel eens op televisie gezien, toen Studio Sport de Nederlandse Kampioenschappen karate uitzond. Mama zat ook te kijken, en plotseling riep ze “Oom Jerry, jeetje, wat is die oud geworden!”.

Soms had oma ook wat te zeggen over de halfzus van opa Win, die ze altijd “hypocriet” noemde, een woord dat ik niet kende in die tijd, maar ik wist dat het niet erg positief moest zijn, want meestal voegde ze er ook nog “trut” aan toe. Dat woord kende ik wel.

Toen ik die ene keer stiekem half zat mee te luisteren, ving ik ineens op dat ze het over mij hadden, en over Ruud. Ik hoorde oma zeggen dat ik “de knapste” van de twee was. Dat was natuurlijk een compliment voor mij, en ik begon meteen te glimmen. “Moet je kijken,” zei mijn moeder, “die oren van hem staan helemaal uitgespreid. Die antenne van hem vangt alles op. Hoor je het?,” vroeg ze, zich direct tot mij richtend. “Nou, dat mag hij best horen, hoor,” suste oma, “hij is toch de knapste?” Mijn moeder vond dat dat soort dingen niet gezegd hoefden te worden, en zeker niet in het bijzijn van degene over wie het ging. Allebei haar zoons waren knap, vond zij.

En toen zei oma het. Een zinnetje, achteraf beschouwd een onzinnigheid. Maar dat is nu, bijna 20 jaar later. Op dat moment was het alsof de wereld instortte. “Ja, Ruud is nu niet de knapste van de twee, dat is Davy. Maar Davy krijgt later een heel saai gezicht, dat kan ik nu al zien. Let op mijn woorden, een lang en saai gezicht. En dan zal Ruud de knapste zijn.”

Het was de aanleiding voor jarenlang mezelf in de spiegel bekijken, gezichten trekkend, mezelf ervan proberend te overtuigen dat mijn gezicht van alles mocht worden, maar niet saai. En ook niet lang. Elke keer als ik langs een etalage, een spiegel, een deur met glas in lood, een achteruitkijkspiegeltje van een auto, vrachtwagen, fiets of motor liep, kon ik het niet nalaten mezelf te bekijken, ervan overtuigd dat ik op het moment dat ik keek, mezelf als het ware zou betrappen, dat wil zeggen, ik zou onvoorbereid zijn, met het gezicht zou lopen dat ik normaal gesproken had. Ik zou mijn gezicht zien zoals het altijd was, en zo zou ik dus zien of het saai was, of lang, of niet. En altijd als ik keek, glimlache ik, of keek ernstig, of “interessant”. En altijd was er de twijfel: is dit saai? Is mijn gezicht leuk genoeg? Denken de mensen, als ze mij zien, “Jezus hee, wat een ontzettende saaie kop heeft die jongen”, of “Godsamme, wat een lang gezicht!”? Of denken ze “Hee, wat een knappe jongen”, of “Die jongen daar heeft een interessant gezicht, zeg!”?

Ik was onzeker, veel onzekerder dan mijn leeftijdgenoten, dacht ik altijd. Zij hadden normale problemen, problemen die iedereen heeft in zijn puberjaren. Ik had die problemen ook, maar bovendien had ik ook nog eens de “vloek van oma” op mij rusten. Een lang, saai gezicht, en hoe het te bestrijden. Het was een strijd die eeuwig kon duren. Talloos zijn de momenten waarop ik gewenst heb dat hetgeen veel mensen zeggen over de klok van Rome die 12 uur slaat, waar was. Als ik een gek gezicht trok, zei de buurvrouw altijd “kijk maar uit, want zometeen slaat het klokje van Rome 12 uur, en dan blijft je gezicht voor altijd zo!” En dan lachte ze hard en onaangenaam, de kakelende lach die altijd in sprookjesboeken beschreven wordt. En ik wist natuurlijk dat dat helemaal niet waar was, maar later heb ik maar wat vaak het tegendeel gewenst. Dan zou ik er voor zorgen dat, precies op het moment dat het klokje van Rome 12 uur zou slaan, ik een knap en interessant gezicht had.

De woorden van mijn oma waren de aanleiding voor een fikse identiteitscrisis. Ik was kwaad op mijn oma, en vond dat als ik later een lang, saai gezicht zou krijgn, dat dat haar schuld zou zijn. Als zij niets gezegd zou hebben, zou ik gewoon een normaal, of zelfs knap gezicht gekregen hebben.

Als een soort verdediging, begon ik mijn oma steeds minder serieus te nemen. Ik begon zelfs tegen haar in te gaan, heel voorzichtig, vanwege de lomboks en de oorvijgen, maar langzaam aan werd mijn aversie tegen mijn oma steeds groter. Na een paar jaar begon ik mijzelf ervan te overtuigen dat ik niet meer in God geloofde. Dat bidden was stom, want je zat maar wat in de ruimte te kletsen, tegen een muur, of een dood beeld in een kerk. Kaarsjes branden, belachelijk! Waarvoor dan? Die mensen waren toch allang dood, die merkten niets van die kaarsjes. Alsof ze daarmee terug zouden komen. Nee, geloven, dat was voor sukkels.

Een aantal jaren later werd ik sociaal bewust. Ik ging om met mensen die uit socialistische gezinnen kwamen, of zelfs communisten. Dat soort lui was in mijn familie allemaal tuig, “bolsjewieken”, zoals oma ze altijd noemde. En oom Heinz. Oom Heinz was een oorlogsheld, opa Win was beroepsmilitair geweest, zelfs oma was de secretaresse geweest van de een of andere generaal in Nederlands Indië. Daarom was ze ook gevangen genomen door de Jap, en had ze jarenlang in het kamp gezeten.

Door mijn omgang met “rooien”, begon ik ervan overtuigd te raken dat het leger iets heel erg fouts was. En de dienstplicht, nog veel erger. En dus zou ik dienst gaan weigeren. Dat zei ik eens terloops tegen mijn moeder, die grote ogen opzette, en uitriep “Laat oom Heinz je niet horen jongen!”. Ik was al te oud voor lomboks, dus daar bleef het bij. Dacht ik.

Toen we een tijdje later op bezoek waren bij de hartsvriendin van mama in Leiden, tante Trudy, riep haar man, oom Tom, mij bij zich. Hij zette een ernstig gezicht op, en zei dat hij met me wilde praten. Ik was 15, en voelde dat het een groot moment zou worden, een gesprek van man tot man.

“Tante Trudy heeft me verteld dat je moeder haar vertelde dat je eraan denkt dienst te gaan weigeren. Is dat waar?” Ik schrok, en zei snel, een beetje lacherig “O, mijn moeder neemt ook altijd alles serieus wat ik zeg! Kom zeg, als ik dienst zou weigeren, zou ik een landverrader zijn! Nee hoor, maakt U zich maar geen zorgen.” “Want als het waar is, dan kun je wel eens in grote problemen komen, jongen. Dienstweigeren is illegaal, en als je dienst weigert, kom je in de gevangenis terecht, en denk maar niet dat dat een pretje is hoor! En wat te denken van je vader?”

Mijn vader, mijn biologische vader, was bij de marine, net als oom Tom. Zo hadden mama en tante Trudy elkaar leren kennen, als de vrouwen van. Mijn ouders waren al in 1975 gescheiden, toen ik 5 was, en met 15 jaar kon mijn vader me niet zo gek veel schelen. Maar dat zei ik niet tegen oom Tom. Ik werd laf, en ontkende mijn dienstweigerplannen. “Landverrader”, hoe kwam ik er in godsnaam op? Maar oom Tom was gerustgesteld, en daardoor ook mijn moeder. Want oom Tom zou het tegen tante Trudy zeggen, en tante Trudy tegen mijn moeder. Zo ging dat bij ons thuis, alles werd via-via uitgesproken. Nooit rechtstreeks.

Uiteindelijk heb ik dienst geweigerd, en ik ben ook nooit meer teruggekeerd naar het katholieke geloof. Ik heb ook mijn school, ik zat op het VWO, niet afgemaakt. Ik werd het zwarte schaap van de familie, tenminste, zo noemde mijn oma me, en mijn moeder.

En dat allemaal door dat ene zinnetje van oma. Toen ik laatst bij haar was, vroeg ik haar of ze zich het voorval nog kon herinneren, en ze keek me ongelovig aan. “Heb ík dat gezegd? Ach jongen, hoe kom je erbij! Nee hoor, je bent hartstikke knap. En je zult ver komen, let op mijn woorden!”

Categories
schrijfsels

Biologisch afbreekbare beats op de vervuilde straten van madrid

[artikel voor DutchBreakz.com, 1999]
Dave Roozendaal, alias the Unhygienix, woonde van 1994 tot en met het najaar van 1998 in Spanje (Madrid en Barcelona). Hij vormde daar met de New Yorker David Lapof het DJ-duo Mulletheadz in 1995, en gezamenlijk verspreidden zij gedurende een aantal jaren het Woord van de Breekbietcultuur. Meestal was het vechten tegen de bierkaai, maar toch boekten zij enkele bescheiden succesjes. Hun fanzine Garfunkel werd aardig gelezen, en ze draaiden op bijna alle grote festivals die in Spanje gehouden werden.
In december 1999 ging Dave terug naar Madrid, om oude vrienden op te zoeken, maar ook om zich te herenigen met zijn Mullet-buddy achter de draaitafels.

Donderdagavond kom ik aan op het vliegveld Barajas van Madrid. Het is een beetje vreemd om weer door die gangen te lopen in de richting van de bagagebanden. Uiteraard duurt het allemaal weer verschrikkelijk lang voordat de eerste koffers verschijnen, dus ik maak van de gelegenheid gebruik en wissel meteen mijn pietermannen om in peseta’s. Even gaan de deuren naar de aankomsthal open, en ik zie mijn maatje al staan. Ik pak een karretje voor mijn platenkoffers, maar een doorgerookte oude man met een enorm stinkende sigaar in zijn mond steekt daar een stokje voor. “Laat die kar staan!,” klinkt het bars, en ik heb meteen weer het Madrid-gevoel terug.
Dezelfde avond wippen David en ik alvast even langs bij Oui, de nieuwe tent die de eigenaren van mijn vroegere vaste stek Kasbah, onlangs hebben geopend, en waar we de volgende dag zullen gaan draaien. Het weerzien is hartelijk, jointjes gaan rond en de mojitos worden klaargemaakt. Het wordt weer ouderwets laat.
Vrijdagmiddag beginnen de festiviteiten omtrent het eenjarig bestaan van de Mercado de Fuencarral, in het volledig opengebroken (qua straten) centrum van één van Europa’s meest verpeste hoofdsteden. El Mercado de Fuencarral is een soort winkelcentrum met allemaal winkeltjes voor hippe mensen: tattoos, piercings, veel te strakke kleding, wierook, platen en Nepalese Prayer Flags, je kunt ze er allemaal krijgen. Ook heel hip: er staan de hele dag DJ’s van verschillend allooi te draaien. Vandaag bestaat het ding dus 1 jaar, en the Unhygienix from Amsterdam (Mulletheadz) is één van de platendraaiers. Ik draai na Paz, één van de meest actieve DJ’s van de stad, altijd bezig met het openen van nieuwe avonden in verschillende clubs verspreid over de hele stad. Niet altijd even succesvol, maar dat ligt meer aan de slechte bedrijfsvoering van de clubeigenaren, die het maar niet afleren om voor het snelle geld te gaan, dan aan haar tomeloze inzet. Paz’ stijl is jazzy en verfijnd, en ik besluit daar nog even op voort te borduren. Het is druk, en als ik na een half uurtje het tempo wat opvoer en de harde biets ook, valt dat in goede aarde. Om 6 uur ‘s middags is het party-harty van jewelste! Geil op alles wat naar bekend ruikt als veel Madrileense hippo’s zijn, komen er vier verschillende mensen om mijn handtekening vragen. Ik kom namelijk uit het buitenland, en dus ben ik beroemd. Imagine that! Ik kan bijna niet schrijven van het lachen. Het is een leuk feestje.
Als om half acht de volgende DJ mijn Breakbeat Era-plaatje abrupt afbreekt om Pete Heller’s ‘Big Love’ erin te gooien, weten we dat het tijd is om een groot bord couscous met lamsvlees, geconfijte ui en rozijnen in onze nekken te proppen. Ik klaagde een hoop in mijn tijd in Madrid, onder andere over het weinig diverse van het restaurantaanbod in de stad, maar de Arabische eettentjes die je daar vindt zijn toch echt onovertroffen, wat mij betreft althans.
Na een grote spliff van Madrid’s beroemde hashish culero (=letterlijk vertaald “kont-hash”, dit vanwege de manier waarop de eivormige stukjes van Marokko naar de hoofdstad worden gesmokkeld, meestal door goed geklede, bevallige advocates) en een flinke boer, is het tijd voor de Mulletheadz-reünie in Oui. We hebben de tijd, “van 11 tot 6” is ons opgedragen. We beginnen met wat coole Jazzanova-achtige jazzy biets, waarmee de sfeer er meteen goed in zit. Het is behoorlijk druk en de mensjes hebben er zin in. Ze slikken alles, zelfs Krust’s ‘Coded Language’ waarin Saul Williams toch de nodige dingen schreeuwt die Spanjaarden absoluut niet verstaan en al helemaal niet begrijpen. Wat ze wel snappen is dat-‘ie een beetje boos is en ze gingen er dan ook op als waren zij treinen. Het zou ook kunnen komen omdat er veel Engelsen (toeristen en mensen die in Madrid wonen) zijn. Niet speciaal voor ons natuurlijk, maar gewoon omdat die er altijd zijn, net als vroeger in Kasbah. Na applaus(!) van het nog aanwezige publiek gaan de Mulletz moe maar voldaan naar huis. Het is 7 uur zaterdagochtend.
Na een paar uur ben ik alweer op. Ik besluit mijn gastheren nog even te laten slapen en het huis uit te glippen, het hectische centrum in. Rondlopend op de Puerta del Sol en de Calle Carretas weet ik ineens weer waarom ik weg ben gegaan uit die stad. Het is bijna kerstmis en dat willen de Spanjaarden weten! Enorme mensenmassa’s die bij de Fnac en El Corte Inglés, ‘s lands grootste warenhuisketen, hun inkopen doen, chaotisch verkeer, overal rotzooi die maar niet opgeruimd wordt en vooral de in Nederlandse ogen botte omgangsvormen van de Madrilenen, die daar in het geheel niet als bot worden ervaren, maken dat ik buikpijn krijg. Snel terug naar huis dus.
‘s Middags pik ik even wat nieuwe plaatjes op bij mijn oude werkgever AMA Records, o.a. de afrofunk-verzamelaar Ouelele, geweldige plaat. Ik heb afgesproken met David en een vriendinnetje om te eten in een typisch Spaans restaurantje met aceite acondicionado (= vrij naar aire acondicionado, air conditioning. Aceite is olie, en we noemen dat zo omdat in dat soort restaurants de olie in de lucht in hele dikke plakken te snijden is), waar we ons weer lekker ouderwets volproppen met ongezond voer.
‘s Avonds gaan we weer op pad met een tasje vol Compost-ish platen. Ik mag van 4 tot 5 die nacht nog even de peepz laten dansen in Tapes, een house-tent. Daarvóór echter eerst naar The Room, waar we onze ogen uitkijken vanwege het enorme aantal kerels op de dansvloer. Niet dat ze zo mooi dansen, maar gewoon omdat er maar 5 meisjes zijn die omringd worden door hongerige, harige Iberische mannen. Leuk voor een uurtje, maar toch maar snel weg.
Tapes is een belevenis. Ik houd best van een house-deuntje op zijn tijd, maar het is toch al een hele tijd geleden dat ik in een tent geweest ben waar ze alleen maar house draaien. Daar is weer een meisjesoverschot. Noem me een sexist, maar ik vind een meute dansende latinameisjes toch een prettiger gezicht dan 50, 60 kwijlende apen die alleen maar stilstaand om zich heen staan te kijken op de dansvloer.
Om 4 uur word ik van de sofa gesleurd en achter de draaitafels gepland. De boel is al uren heel hard aan de gang op de vloer, dus het is een kwestie van gewoon doorgaan met pompen om de boel zo te houden. Ik kan het niet laten en kwak Moodymann’s ‘Shades of Joe, part 1’ op het rechterwiel van staal, een vettige housetrack waarin de man uit Detroit de danser pest met het steeds weer opbouwen en weer afbreken van de sfeer. Gek worden ze ervan. Ik voel me een hele vent als ze beginnen te gillen en klappen zoals alleen Spanjaarden dat kunnen, op z’n flamenco’s. Maar na een uurtje vind ik dat gehouse wel weer mooi geweest. DJ Mystical Gerry neemt het roer weer over en ik neem weer plaats op mijn sofa, tussen de andere twee Daves (Engelse Dave van de AMA Crew, en Dave mijn fellow Mullethead) om nog even fijn te lachen om Gerry, die onder het draaien tegen de mixtafel op staat te rijden alsof-‘ie ter plekke nieuwe plaatjes wil maken.
Zondag (of wat daarvan over is) lekker chillen met de maatjes en maandag, na het aanvankelijk missen van mijn vlucht en het betalen van 200 piek aan overgewicht (goddamn) weer terug naar de Heimat. Het was een mooi weekend.

Categories
muziq schrijfsels

Sonic Youth, of laatste dagen van een vervelende puber

[artikel voor Dagblad De Limburger, 1995]
De dagen van de schoolkrant, dát waren nog eens tijden! Vijftien, zestien jaar waren we, en we konden schrijven wat we wilden (bij de gratie des rectors, natuurlijk), niemand las het ding.
Muziek, daar schreven we over, en dan vooral zo obscuur mogelijk, want er was geen lol te beleven aan bands die bij meer dan tien personen op het schoolplein bekend waren. Throbbing Gristle, Scraping Foetus Off The Wheel, Coil, Dead Kennedys, Swans, ze stonden allemaal op de schooltas, in puntige letters liefst. En Sonic Youth natuurlijk, onze goden uit New York.

Voor een katholieke school had de onze af en toe best iets progressiefs, zoals een discjockey tijdens de lunchpauze. Per periode (van drie maanden) konden vijf leerlingen DJ spelen in de middagpauze, en we hadden ervoor gezorgd dat er in elke periode wel eentje van ons groepje tussen zat, voor de broodnodige afwisseling tussen al het Samantha Fox- en Rick Astley-geweld. We draaiden wat we leuk vonden, en we kickten op het geluid van schuivende stoelen van leerlingen die walgend naar buiten renden om daar hun lunch te verorberen, weer of geen weer. We probeerden zo ver mogelijk te gaan, om de belangstelling te wekken van meisjes die wel een beetje kickten op die “vreemde vogels”, maar vooral om bewondering te oogsten van onze eigen maatjes. Foetus, Joy Division, Sex Pistols – lunchende leerlingen wierpen kwade blikken naar de DJ en wij sloegen elkaar lachend op de schouders. Het absolute hoogtepunt kwam de dag dat een van de onzen Sonic Youth’s ‘Death Valley ’69’ loeihard door de kantine joeg. “You’re right, you’re right,” kermde gastvocaliste Lydia Lunch in de microfoon, terwijl de kantinebeheerder witheet richting draaitafel rende. Zijn lippen lazen “Zet áf die rotherrie!” en met een mengeling van verontwaardiging en triomf wist ik het: Sonic Youth was het helemaal.

Bad Moon Rising was de eerste LP van Sonic Youth die zich in mijn verzameling nestelde, en het is tot de dag van vandaag nog steeds de plaat die me het meest raakt. Vanaf het onheilspellende intro op kant A tot de geile hysterie van het laatste nummer op kant B, het eerder genoemde ‘Death Valley ’69’, koude rillingen kreeg ik ervan. Die pompende machines, dat geluid van stinkende fabrieken, je kon de rook in je ogen voelen prikken terwijl Kim Gordon zachtjes in je oor fluisterde. Naar aanleiding van Bad Moon Rising ging ik de eerdere platen van Sonic Youth luisteren. Vrienden die Sonic Youth, Confusion Is Sex en Kill Yr. Idols reeds in hun bezit hadden lieten me horen hoe ver een gitaarband kan gaan, en ik kon m’n oren niet geloven. Nogmaals werd het gevoel dat ik destijds in de kantine op school had, bevestigd: dit móest wel de coolste band van de wereld zijn!

De verwarring was dan ook groot toen Evol uitkwam. O ja, het was nog steeds extreem, de gitaren klonken nog steeds alsof ze van Mars kwamen, maar dat openingsnummer ‘Tom Violence’, het leek verdomme wel een liedje!
En zo was het. De plaat markeerde wat nu de “afsluiting van de eerste periode” genoemd wordt. Vanaf dat moment was Sonic Youth “muzikaler”, poppier, hoewel dat woord nauwelijks van toepassing was op de gruizige herrie die hun muziek nog steeds was; er was melodie te horen in hun muziek. Maar ach, ze waren nou eenmaal de coolste band van de wereld, en op den duur wende het allemaal best wel. Bovendien scoorden we iets later een single van ze die ze opgenomen hadden onder de naam Ciccone Youth, waarop ze samen met Mike Watt Madonna’s ‘Into the Groove’ op, eh, grove manier onder handen hadden genomen, en alles was weer oké.

Nu, negen jaar later, realiseer ik me dat de New Yorkers mijn ogen geopend hebben over muziek in het algemeen. Het feit dat ze een nummer van Madonna coverden en van alle daken schreeuwden dat ze het zo’n goede song vonden, bracht mij in ieder geval aan het relativeren over wat “cool” was en wat niet. De muziek waar ik mee was opgegroeid verafschuwde ik destijds, omdat het gewoon not done was om de Jackson Five goed te vinden. Maar de Jackson Five lagen wat mij betreft veel dichter bij Madonna dan Sonic Youth. Achteraf gezien is dat natuurlijk ook maar de vraag, maar goed, toen nog niet. En als Sonic Youth Madonna goed vond, dan moest er toch iets positiefs aan dat mokkel te ontdekken zijn. En als Madonna goed gevonden werd, waarom dan Michael Jackson niet ook maar meteen? En zo redeneerde ik maar door, tot ik er uiteindelijk, na een een hoop slapeloze nachten en menig middagje bij de platenboer angstig om me heen kijkend of er geen vriendjes waren die me in de bakken zagen zoeken naar het nieuwste van de Chicago House Sound, toe kwam er voor uit te komen dat in elke muzieksoort wel iets goeds te vinden was. En dat allemaal dankzij Sonic Youth.

Ik mocht ze trouwens pas heel laat live aanschouwen. Ik weet het jaartal niet helemaal zeker, maar volgens mij was het ’88 of ’89 dat ik ze in (godbetert) Vredenburg op zag treden. Met Babes In Toyland in het voorprogramma. Dat was een magisch moment. Een bak gitaren op het podium, en ze gingen tekeer alsof er geen morgen zou komen. Thurston Moore en Lee Ranaldo waren het legendarische gebruik van schroevendraaiers en andere voorwerpen op de gitaar reeds ontgroeid, maar scheuren dat ze deden! Kim Gordon was twintig keer cooler dan dat we dat destijds vonden van Bobby Rossini als bassiste bij Claw Boys Claw, en Steve Shelley, de man die je bijna nooit hoort in de pers, bewerkte als een wilde zijn drumstel, wauw, koehoel!

Later heb ik ze nog vaak gezien, vooral op festivals, en iedere keer was het weer raak. Die euforie die ik voelde, dat gevoel dat er méér was, bij nummers als ‘Starpower’, ‘Catholic Block’ of ‘Teenage Riot’, dat voelde ik bij geen andere band.
Waarschijnlijk is Sonic Youth verantwoordelijk geweest voor de soundtrack van de puberjaren van duizenden, onder hen ongetwijfeld velen die minder irritant waren dan mijn vriendjes en ik. Het is geen nieuws dat de invloed van de New Yorkers onmetelijk groot is, in de jaren tachtig en nog steeds, en over de hele wereld. Ik woon nu in Spanje, en toen ik laatst in een van die wazige Madrileense nachten in een tent verzeild raakte met wat vrienden, en de DJ ‘Dirty Boots’ op de dansvloer gooide, zei iemand tegen me dat het besef dat niet alleen onze ouders met hun zestiger jaren, maar ook wíj zijn opgegroeid met klassiekers, hem af en toe in verwondering deed opkijken. Ik had het niet beter kunnen zeggen.