Categories
schrijfsels

Rare dag

“‘t Is een rare dag vandaag”, zegt de magere man. “Vanochtend, het was negen uur en ik lag natuurlijk nog in mijn bed te rotten… wordt er gebeld. Ze vragen of ik Ruud Konings was, ik zo, ja, kom maar boven. Ik doe de voordeur open en wacht op geluid van mensen op de trap, maar ze kwamen met de lift. Ineens, die deur gaat open. Smeris. Ik schrok me rot. Maar ja, ik kon niks doen natuurlijk, dus, deur open, komt u binnen. Ik snel naar achter gelopen, alles even weggestopt. Weer terug, gaat u zitten, koffie? Nee dank u. Ja, en ik zat daar maar, wat doen die hier?”
De magere man kijkt me aan.
“Nou?”, vraag ik.
“Wat?”
“Nou, maak eens af? Waar kwamen ze voor?”
“Oh, ja, euh, een parkeerboete. En die honden, ja, we hebben daar gisteravond borden neergezet dat je daar niet mocht parkeren, maar ik weet zeker dat die er gisteravond niet stonden, die hebben ze vanochtend neergezet en dan slepen he. Maar ja, ik was zo geschrokken, ik zei niks. En dan intimideren he. Ja, u kunt nu een schikking aanvaarden van 50 euro, of de zaak voor laten komen en wie weet wat er dan gebeurt.”
“Klootzakken zijn het.” Ik spuug op de grond. Dat past mooi bij zo’n zinnetje.
“Afijn, die gasten weg, ik, fjoe, meteen naar achteren, jointje rollen. Even bijkomen. Dus ik ga op het internet, surf naar de vacature, ja, je moet toch wat he. Kom ik een cursus tegen voor geluidstechnicus. Een jaar met behoud van uitkering. Ik, joehoe! Meteen ingeschreven. Blij. Nog een jointje gerold om het te vieren. Lag ik daar lekker stoned, telefoon. Boze mevrouw van de elektriciteitsmaatschappij. Ik meteen wakker. Die mensen kunnen me zo kwaad maken. Ik betaal te laat, krijg ik herinneringskosten. Maar toen had ik al betaald. Dus ik ga die extra kosten niet betalen. Krijg ik herinneringen voor het niet betalen van de herinneringskosten, en die kosten moet ik ook nog betalen! Eenentwintig euro, dikke lul dat ik dat ga betalen. Vet hart voor ze. Boos! Dat mens schreeuwen, ik ook schreeuwen, allebei schreeuwen. Zegt ze wacht, ik geef u mijn chef. Ik, bring ’em on! Hahaha! Ik was op dreef. Die vent, die chef, hoge toon jongen. Én ú móet dít én ú móet dát. Ik, rustig aan meneer. Ik ben de klant, ik mag op u foeteren, en u bent de dienstverlenende partij, u moet dat slikken en uw mond houden, of in ieder geval niet schreeuwen. Hij nog kwaaier. Nog meer schreeuwen. Dus ik ook weer schreeuwen. Ik, mag ik uw naam. Jazeker mag u mijn naam, die en die. En de naam van uw superieur? Ja, toen werd het stil. De naam van uw superieur alstublieft, zeg ik. Hij zo, ja zo en zo, maar bel hem maar op, hij zal hetzelfde zeggen als ik. Want ik zou die eenentwintig euro maar betalen, anders weet ik niet wat er van komt he, dan worden die eenentwintig euro wel heel erg duur. De hond man! Gaat-‘ie dreigen! Die is gek! Dus ik, mooi, dan ga ik een klacht indienen, zo mag u klanten niet behandelen, dit is ongehoord! Die vent weer schreeuwen. Ik zo, luister, ik zo, luister man, kalmeer. Je kunt schreeuwen wat je wilt, ik zei al geen u meer, ik zo, je kunt schreeuwen wat je wilt, ik betaal die eenentwintig euro niet. Heb je een pen. Hij, blaah, blaaah, ik zo, meneer, menéér, heb je een pen? Hij zo, ja natuurlijk heb ik een pen. Ik zo, trek je shirt maar omhoog en schrijf maar op je buik die eenentwintig euro. Meteen opgehangen, hahaha!”
“Belde hij je niet meteen terug?”, vraag ik.
“Nee. Ja, ik heb de hoorn eraf gegooid, dus ik weet niet. Misschien wel. Godverdomme man, ik had hem wel door die hoorn willen trekken, zijn kop verbouwen, lul. En net, op weg hierheen, word ik gebeld op mijn gsm. Iemand die me een baan aanbiedt. Boekhouder.”
“En? Wat ga je doen? En die cursus?”, zeg ik. De magere man kijkt me verstoord aan.
“Ja, ik ben nog niet klahaar.” Hij haalt luidruchtig zijn neus op. “Ik zo, afhouden. Maar het leek wel of ze me per se wilde hebben, raar hoor. Ik heb wel eens wat boekhoudwerk gedaan, maar geen opleiding of zo. En meteen he, bent u flexibel? Ik zo, hoe bedoelt u, flexibel? Flexibel? Zij zo, ja, als er eens wat extra gedaan moet worden, dat u dan wat langer doorwerkt. Ik zo, ja, ik ben flexibel, als u daar dan ook iets flexibels tegenover stelt. Zij, ja natuurlijk. Ze zou terugbellen. Dus ik loop verder, fok, weer de telefoon. Zij weer. Nog geen minuut! Ik zo, ja, hallo? Zij, ja, nog eens met mij, sorry, ja, kunt u morgen komen voor een gesprek, twee uur? Ik zo, ja, morgen, donderdag? Okee. Zij zo, nee, morgen vrijdag. Ik zo, oei! De eerste indruk is alles zei ik. Zij lachen. Dus nu ga ik morgen op sollicitatiegesprek voor een baan waar ik niet op zit te wachten. Zal mij benieuwen.” Hij kijkt me ernstig aan.
“Rare dag man, vandaag.”
“Ja”, zeg ik, “rare dag.”

Categories
schrijfsels

Zweefvliegtuigen zo groot als Boeings 747

Ik lag in de zee met nog iemand, die mij vertelde over zweefvliegtuigen zo groot als Boeings 747. We zagen er eentje over vliegen, met een open dak en camouflagenetten aan de buitenkant. Toen ik vroeg of dat wel ging, zweven met zo’n groot ding en gewicht, zei de ander dat als het niet meer ging, de mensen met parachute uit het vliegtuig moesten springen. We keken naar boven, toen we ook daadwerkelijk mensen uit het vliegtuig zagen komen, met parachutes. Terwijl ik opmerkte dat iedereen wel kan zwemmen, zwommen we naar een persoon die in zee terechtgekomen was toe. Ik zag ineens een plek in zee waar het oppervlak helemaal glad was, alsof er een helikopter boven hing, of een hele sterke stroming onder de waterspiegel. En voordat ik het wist, werd ik meegenomen door die stroming. Opgetild en platgedrukt, mijn borstkas werd samengeknepen. Ik kon niet meer ademen, en ik werd wakker, want er zat iemand op me, zo leek het. Ik kon me niet bewegen en ik dacht dat ik stikte.

Categories
schrijfsels

Moordenaar met worst

Het is stil. We lopen gestaag door over de geasfalteerde polderweg, onder een strakblauwe hemel. De bomen langs de kant van de weg ruisen zacht en in de verte klinkt het constante gesuis van een snelweg. Gert-Jan vraagt me iets maar ik luister niet. Ik wil nog even genieten. Hij herhaalt zijn vraag niet, en ik vraag hem niet wat hij me vroeg.
Als we de weg oversteken om meer zon te vangen wordt er getoeterd. Ik kijk om en zie een rood invalidenautootje. Er zit een mooie vrouw in, van een jaar of 25, 26, schat ik. Ze ontwijkt ons op het nippertje, terwijl ze ons wel gezien moet hebben – ze kijkt niet tegen de zon in.
“Stinkhoer!”, roept Gert-Jan haar na. Het autootje stopt, en de vrouw stapt uit. Ze heeft een schoen met een grote steunzool, en een andere met een naaldhak. Het ziet er belachelijk uit. Ze trekt de naaldgehakte schoen uit en gooit die in mijn richting. Hij komt een halve meter voor mij op de grond terecht. Gert-Jan staat achter me en roept.
“Laat je dat toe? Pak haar! Pak haar!”
Inwendig kook ik plots van woede, maar ik probeer mijn gezicht in plooi te houden. Ik stap naar voren, raap de schoen op en loop op haar af. Plots gaat alles in slow motion. De vrouw draait zich om en maakt aanstalten om terug in haar autootje te stappen. Ik wil haar doodmaken. Ik gooi de schoen tegen haar rug – ze valt voorover. Als ik bij haar kom draait ze zich op haar rug, en ik zet mijn voet op haar keel. Ik druk door. In haar ogen zie ik ongeloof, ze heeft haar mond geopend maar er komt geen geluid uit. Ik voel het kraken onder mijn zool. Gert-Jan springt als een gek op en neer en van links naar rechts. Hij kijkt opgewonden als een kind dat fikkie steekt en het lijkt alsof hij schreeuwt, maar ik hoor niets. Ik trap alleen maar door. Het lichaam van de vrouw ligt nu stil, haar rechtervoet is gestopt met trillen.
Gert-Jan kijkt me aan. Hij lacht en steekt zijn arm in de lucht, voor een high five.
“We moeten hier weg.” Ik zeg het nog een keer, dan rennen we het weiland in. Ik weet niet hoe lang we rennen. We komen bij een bos en we blijven rennen. Dan komen we aan bij een meer waar mensen zitten te picknicken. Er zijn kinderen aan het spelen met een hondje dat opgewonden met ons mee begint te rennen en naar ons keft. We moeten ons verschuilen en beginnen, zonder iets te zeggen, tegelijkertijd kriskras over het veld het eten uit de manden van de picknickende mensen te pakken. We rennen en springen over ze heen en proberen worsten mee te graaien.
Ik stop en kijk naar Gert-Jan. Als hij mijn blik vangt gebaar ik dat we terug het bos in moeten. We rennen nog een tijdje door totdat we bij een soort hut aankomen. Ik ga op een boomstronk zitten en haal de worsten uit mijn zakken, leg ze voor me op de grond, netjes naast elkaar. Gert-Jan doet hetzelfde. We hebben bij elkaar 26 worsten gejat en ik heb een invalide vrouw vermoord.

Categories
schrijfsels

Excercise your demons

Afgelopen zaterdag heb ik paddestoeltjes gegeten. Ania, Mara en ik waren naar een plek in de bergen gegaan, een uur of 3 rijden hier vandaan. We waren van plan om ze bij dag te eten, maar toen we aankwamen was het al half negen ‘s avonds, en donker.
Er waren nog meer mensen in het gebouwtje, een soort berghut, en aanvankelijk viel dat niet erg goed, bij ons. Ook daar zetten wij ons echter snel overheen. We nestelden ons voor het haardvuur dat de overige aanwezigen, een groep van ongeveer 10 jongemannen die uit een naburig dorp kwamen, en hier lopend waren gekomen, hadden gemaakt, en aten langzaam de zakjes waar de paddestoeltjes inzaten, leeg.
Het duurde niet lang voordat we iets begonnen te merken. We liepen naar buiten. Het was aardedonker. Silvestre, het hondje van Ania, was onrustig. Er schijnen nogal wat beesten te wonen in die bergen daar. Wilde varkens, schapen, berggeiten, dat soort werk. En Silve was behoorlijk van slag.
Ik begon behoorlijk te trippen. Ik weet niet meer wat er gebeurde tussen het moment dat we naar buiten liepen en het moment dat ik werkelijk besefte dat de paddo’s op volle kracht aan de slag waren gegaan. Misschien is er helemaal niets gebeurd in die tussentijd, misschien is er helemaal geen tussentijd geweest.
Ik weet alleen dat ik me niet kon verroeren. Ik werd langzaam maar zeker opgevreten door de paranoia. Vooral de groep jongens die de hut met ons deelde, boezemde me angst in. Ik kon mijn gedachten niet van hen afzetten. Ik kon mijn gedachten zowiezo niet controleren. Ik bleef zitten, gehurkt, met mijn hoofd rustend op mijn knieën. Ik hoorde muziek, vreemde muziek. Eigenlijk was het een toon, die aanhield. Het herinnerde me een beetje aan de viola van John Cale in sommige liedjes van Velvet Underground. Als ik me concentreerde op die toon, hoorde ik echo’s. De muziek maakte me treurig en was angstaanjagend tegelijk. Ik had visioenen van mijzelf als klein jongetje. Ik liep voorzichtig een tunnel in. Aan het eind van de tunnel was een hel, goudgeel licht, en al die tijd hoorde ik die muziek, en ik was verschrikkelijk bang, maar tegelijkertijd ook nieuwsgierig. Ik moest constant lachen, zo’n ingehouden lach, dat je spieren constant gespannen staan. Nooit was ik zó bang geweest.
Af en toe keek ik op, en dan zag ik de jongens zitten. Soms keken ze naar ons (Ania en Mara lagen naast mij onder een deken, en gingen geheel op in hun trip. Ik wilde niets van hen weten, ik was paranoïde als de hel, dacht dat ze over mij aan het lachen waren. Tegelijkertijd wist ik dat dat mijn paranoia was). Ze rookten marihuana en dronken kalimotxo, een mix van rode wijn en coca cola. Ik was bang van ze, en snel legde ik mijn hoofd weer op mijn knieën, om verder de tunnel in te lopen. Mijn wereld was geheel anders aan die van hen, de mijne had absoluut niets met de realiteit te maken.
En ik dacht voortdurend, hoe dit aan Beatriz, aan David, aan Guuz, aan mijn andere vrienden te vertellen? Dit zou ik nooit of te nimmer aan iemand kwijt kunnen, ik zou niet weten hoe. Ik zou “normaal” kunnen doen, maar van binnen zou ik nooit meer “normaal” zijn. Ik zou altijd zo blijven.
Ik had visioenen van het kruispunt vlak bij mijn huis. Alles bewoog versneld, als in een videoclip. En ik dacht dat ik nooit meer normaal zou worden. God wat was ik bang, zeg.
Maar tegelijkertijd, wist ik dat het de paddo’s waren. Ik bleef tegen mezelf zeggen, dat zijn de paddo’s, die dit doen, dit gaat weer over. Maar dan dacht daar meteen achteraan, dat het nooit meer over zou gaan. Ik was ervan overtuigd dat het nooit meer over zou gaan.
Een tijdje later ging het over. Er waren zeven uur voorbij gegaan. Ik ging naar binnen, om me te warmen aan het haardvuur. De jongens waren nog steeds buiten. Na een half uur kwamen Mara en Ania binnen, en zeiden dat ze naar de rivier gingen. Ik ging met ze mee. We begonnen te praten. Mara vertelde dat ze nog nooit zo bang was geweest. Ze was er zeker van geweest dat ze dood aan het gaan was. “Ik voelde mijn cellen één voor één afsterven.”
Ania had niets negatiefs meegemaakt. Voor haar was het gewoon een gezellig tripje geweest.
Vreemd.

Categories
schrijfsels

Oh, the guilt

Ik zat in een bar in Amsterdam, maar niet een bar die ik ken. Het was een beetje Rum Runners-achtig, maar veel lichter, de zon scheen ook binnen, het leek een scene uit een James Bondfilm. Er liep een groepje mensen binnen. Een van hen, een meisje met lang zwart haar, klom via de kruk naast me op de bar en bestelde iets. Ik hoorde haar stem niet, maar ik keek naar haar gezicht. Prachtige mond, mooie neus, en die ogen, die ogen.
Die ogen. Het was Patricia. Meer dan 5 jaar heb ik haar niet gezien. Ze maakte me in de war, ik wilde met haar praten, zei haar naam. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ze keek me aan. In haar ogen zag ik verrassing, en ook verwarring. Ze flitste even naar haar vrienden, die aan een tafeltje zaten. Er was ook een jongen, met dik zwart haar met kleine krulletjes, een beetje zigeunerachtig, die vroeg wat ze wilde drinken. Ze zei helemaal niets.
Ze ging bij haar vrienden zitten. Een van de meisjes kwam op me af, en schreeuwde vlak bij m’n gezicht “Je bent een klootzak!!”.
Toen ik wakker werd dacht ik na over het feit dat ik Patricia gezien had, en ik vond het jammer dat ik niks wist te zeggen, terwijl ik al jaren benieuwd ben hoe het met haar gaat. Ik had ook het gevoel dat zij me iets wilde zeggen, maar dat ze niet precies wist hoe. Misschien had het schreeuwende meisje het wel voor haar gedaan.

Categories
schrijfsels

Eenzame feestdagen

“Ach ja, het gaat wel hoor jong. *kuch* Ik heb zo’n last van mijn luchtwegen. Je oom heeft me wel gevraagd om met de kerst bij hun te komen. Ja, hij is bij haar ja, ik weet het ook niet meer hoor, of het nou gemakzucht is of eenzaamheid of toch liefde, of een beetje van alledrie. Nou ja liefde zal wel niet want ze maken de hele tijd ruzie. Dus ik heb nee gezegd, in zo’n sfeer wil ik de feestdagen niet doorbrengen. Dan liever eenzaam.

Ik denk zo vaak aan mijn oude vrienden die dood zijn en dan ben ik jaloers op ze. Geen kopzorgen meer, geen gedoe, heerlijk rustig. Ik verlang ernaar om weer bij mijn man te zijn.

Je achterneef kwam vorige week langs. Heb je hem recentelijk nog gezien? Hij is máger jong, ik geloofde mijn ogen niet. En zijn haar! Wít. Ik schrok me dood toen ik de deur opendeed, aduh zeg ik je lijkt wel een engel. Hoe is het met u tante? zegt hij. Zo rustig, sereen, je herkent hem niet, echt waar hoor. Ik heb een boodschap voor u tan, hij zegt, van oom. Wat zeg je daar? zeg ik. Ja, ik heb contact met hem. Je weet toch jong, je achterneef is zwaar mediamiek, altijd al geweest. Hij zegt dat hij een boodschap heeft van je opa, voor mij. Hij zegt, u moet zich geen zorgen maken, u moet zich niet eenzaam voelen, want hij is hier. En uw moeder is ook hier. Altijd. Jong, ik moest gewoon huilen. Hij ging me troosten, stil maar tante, het is al goed, hij is hier. Oh ja? zeg ik. Ja zegt hij. En weet je jong je kunt het geloven of niet, maar ik werd echt helemaal rustig van binnen. Je achterneef is zo veranderd, zo lief. Weet je nog hoe hij vroeger was? En voor zijn vrouw? Hij heeft het zwaar gehad hoor, toen ze wegging, maar ja ik zeg tegen hem ik zeg jong, je moet je hand in hoe heet het? Je moet je hand in eigen boezem steken jong, je bent niet fair tegen haar geweest. Ik weet tante, ik weet, zegt hij. Kasian, oh ik heb zo’n hartzeer voor hem jong. Maar nu is hij echt een engel hoor. En zijn haar, zo wít, aduh.

Na, ik hoop dat het nieuwe jaar veel geluk zal brengen voor jullie beidjes, ik bid iedere dag hoor jong, ook al weet ik dat jij niet in god gelooft, ik bid voor je hoor jong. Je vind het toch niet erg he? Iedere dag. Ik vraag ook altijd aan je moeder hoe het met mijn kleinzoon is, kasian, zo ver weg. Maar je bent toch wel gelukkig he jong? Alles komt wel goed, uiteindelijk komt het op zijn pootjes hoor, echt. Ik ben overtuigd. Met hulp van onze lieve heer, ook al wil je die niet. Hij houdt ook van jou, van jullie allemaal, ook van je broertjes. Zo lief he, die kleine meid van je broer, schattig zo klein, aduh. Ze wordt een doerak hoor. En jullie? Wanneer gaan jullie? Jij wil niet he? Ach, komt nog wel.

Nou jong, ik ben zo blij dat ik je stem weer eens gehoord heb, ik denk iedere dag aan jullie hoor. Doe mama maar de groeten, en papa, en niet te veel piekeren he? Ik hoor van je moeder dat je zo veel piekert. Het komt wel goed. Nou, eet smakelijk strakjes, en als ik je niet meer spreek, ga je nog iets doen met oud en nieuw? Doe je voorzichtig? Veel plezier he jong, ik zal een kaarsje voor je aansteken.

Dag jongen.”

Categories
schrijfsels

Verveeld

de man zat op zijn eigen toonbank toen ik de in winkel liep. hij keek verveeld, maar toen hij mij zag binnenkomen klaarde zijn gezicht op.
“hallooooo!”
“euhm… goedemorgen?” zei ik, verbaasd over zoveel hartelijkheid van de man die me normaal geen blik waardig keurde en met neergeslagen ogen het bedrag noemde dat hij verwachtte in ruil voor het pakje marlboro en de humo. ik probeer altijd te vermijden bij deze sigarenman sigaretten te kopen, nadat ik hem, met zijn zo te horen bredase afkomst notabene zelf een buitenlander hier in antwerpen, eens een paar foute opmerkingen heb horen maken over “vreemdelingen”, en een dag later “het pallieterke”¹ op de toonbank zag liggen. maar vandaag was ik vergeten mijn principes mee te nemen van huis en prompt had ik geen zin om ver te lopen voor mijn benodigdheden.
“een marlboro en de humo, zeker?”
“graag,” zei ik, andermaal verbaasd. ik had niet verwacht dat hij dat zou onthouden.
“ik ga verhuizen, wist u dat al? hier heeft u een papier met het nieuwe adres ja het is hier om de hoek hoor want het is hier verschrikkelijk het hele pand staat op instorten die verdomde huisjesmelkers ook gék word ik ervan meneer overal loopt water langs de muren gaten in de muur de muizen kruipen over de toonbank als ik ‘s ochtends de winkel open doe en ja dat kan natuurlijk niet he met al dat papier hier.”
“tja…”
“en nu ga ik dus om de hoek zitten ja ik woon daar dus da’s nogal makkelijk he ruimte zat ik had het al veel eerder moet… ah! dáár ben je! ik zit al een uur te wachten!,” riep hij ineens naar iemand die de winkel in kwam. hij vervolgde zijn monoloog niet, maar zei dat ik hem €5,20 schuldig was. zonder me aan te kijken.
ik gaf hem een briefje van twintig, hij gaf me het wisselgeld, nog steeds zonder me aan te kijken, en liep de man achterna naar een kamer achter de winkel.
“tot ziens, en succes met de verhuizing,” zei ik nog.
geen antwoord.
“hallooo!”
de sigarenman kwam terug de winkel in. hij keek verstoord.
“ja?”
“ik zei tot ziens en succes met de verhuizing.”
“roep je me daar voor terug?”
“nou ja,” zei ik, en liep terug de nationalestraat in.
¹ – een gratis blaadje dat gevuld wordt door ultraconservatieven en vlaams-nationalisten, om het netjes te zeggen

Categories
schrijfsels

Mijn dagen bij de foebal

Na lang aandringen mocht ik van mijn moeder dan toch nog op voetballen. Ik was tien jaar en ik kon mijn geluk niet op. Vier jaar judo had ik doorstaan, op bevel van diezelfde moeder. “Judo is goed voor je karakter”, zei ze altijd.

Ik haatte judo. Iedere dinsdagavond in De Gong kreeg ik les van een man die wel aardig was, maar een beetje tactloos. Opa Vic was doodgegaan op 20 maart 1978, een maandag. De volgende dag moest ik judoën.
“Ga toch maar”, zei moeder, “dan ben je een beetje afgeleid.”

Ik had nog helemaal niet gehuild, kon het niet. Ik had wel gedaan alsof, toen maandagochtend aan het ontbijt het telefoontje kwam van oom Randy. Ik had me zo schuldig gevoeld dat ik niet met moeder en mijn broertje Eddy mee kon huilen, dus ik had mijn hoofd in mijn handen gelegd en huilgeluiden gemaakt. Ik had wel een naar gevoel in mijn buik, maandag de hele dag en dinsdag ook. ‘s Avonds bij de judo had ik niks gezegd tegen de leraar. Ik moest een oefening doen met een meisje dat drie koppen groter was dan ik, twee keer zo breed ook. Ik was bang van haar, ook al omdat ze altijd zo nors deed. Ik deed de oefening niet goed, ze werd met de seconde chagrijniger, en de knoop in mijn maag werd strakker en strakker aangetrokken. Toen ik in de houtgreep lag, mijn gezicht gesmoord in haar oksel, kwamen de tranen. Ik kon niet meer stoppen. Ze schrok en vroeg wat er was. Ik wilde niks zeggen, wendde mijn hoofd af. Ik kon sowieso niks uitbrengen, dat is nog altijd zo als ik eens een keer huil. Ze troostte me, ik weet nog dat het me enorm verbaasde en ook geruststelde. De leraar kwam aangelopen en vroeg waarom ik huilde.
“Mijn….opa…is….doohohohooooood.”
“Wanneer dan?”, Vroeg hij.
“Gisterehehehen.”
“Ah joh, dan moet je nu toch wel uitgehuild zijn.”
Dat zei hij echt! Ik kon het niet geloven. Ik stond op en rende weg, naar de kleedkamer. Aankleden en naar huis, als de sodemieter. En nooit meer terugkomen, dat nam ik me voor.
Uiteindelijk nog twee jaar doorgejudood, twee blauwe slippen gehaald, maar niet van harte.

Maar goed, voetbal dus. Mijn vriendje en buurjongen Rody van de Post zat bij Unitas. Onze buurman Peter was ook lid van die club. En dus gingen Eddy en ik ook daar voetballen, hoewel het eigenlijk de club van Leur was, en wij in Etten woonden.

In Etten-Leur bestonden destijds drie voetbalclubs [nog steeds trouwens]: SC Unitas ’30, Internos en DSE. Etten-Leur bestond, zoals de naam al zegt, uit de dorpen Etten en Leur. Leur was het oude gedeelte, het oorspronkelijke dorp. Etten was nieuwer en lag er tegenaan, en de meeste mensen die er woonden waren “import”, veel niet-Brabanders, zoals wij. Internos was de club voor de geïmporteerden. De aartsvijand van Unitas. Wat de rol van DSE was heb ik nooit kunnen achterhalen. DSE was een beetje…niets, eigenlijk. Of een ideale mix, ik weet het niet.

Het duurde een paar jaar voordat ik voor vol werd aangezien door mijn Leurse medespelers. Hoewel, nooit echt helemaal, want, afgezien van het feit dat ik geen Brabander was, af en toe moeite had om het dialect te verstaan en geen moeite deed om mijn harde g te veranderen in een zachte, zat ik ook nog eens op de KSE, een scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo, waar het gros van mijn medespelers op Don Bosco zat, de plaatselijke lts. Ik zag ze doordeweeks dus alleen maar op de training. Niet echt bevorderlijk voor de onderlinge band. Maar goed, ik had het erg naar mijn zin. Eindelijk voetballen!

De eerste jaren waren leuk, onbezorgd, u kent het wel. Meestal eindigde mijn elftal in de middenmoot, soms in het linker- en soms in het rechterrijtje. Ik was altijd wel jaloers op mijn broertje Ed, die zo ongeveer ieder jaar kampioen werd. Maar goed, ik hield van de club, de elftalleiders, en dan vooral Jack Martens (die ooit een bandje voor me opnam met Nick Cave, Lene Lovich en The The, en in Amsterdam had gestudeerd, waar hij stamgast was van een café met de welluidende naam “De Engelse Reet” in de Begijnensteeg), de tweeling Corrie en Borrie, die het hele zootje zo’n beetje bij elkaar hielden, en ook het hockeyveld naast het Unitasterrein waar mijn huidige lief Anniek speelde. Het was er gezellig.

Na een paar jaar kwam ik in het C2-elftal terecht. Ik begon geweldig aan het nieuwe seizoen, zo goed had ik nog niet eerder gevoetbald. Ik scoorde veel, en dat als linksbuiten. Het was de hoge heren ook opgevallen, en twee maanden in het seizoen werd ik gesommeerd me bij C1 te vervoegen.

C1, daar voetbalden de grote jongens. Allemaal een jaar, sommige twee, ouder dan ik, groter, sterker, stoerder en moediger ook. Ik was geïntimideerd. Het waren ruige gasten, vooral het groepje rond de tweeling Dennis en Corné (“Des” en “Kee” voor de vrienden), met daarin Erik Broers, of Broere, en een gast die Jaspers heette van achteren. Die maakten de dienst uit in het elftal. Daar hing dan weer een groepje “mindere goden” tegenaan, vervolgens een groepje met jongens die wat vriendelijker waren, en ik. De eerste paar wedstrijden gingen nog wel, maar al snel was ik zo geïntimideerd dat ik minder goed ging spelen. Ik voelde me klein vergeleken bij die jongens, ik deelde hun gevoel voor humor niet, begreep ook meestal niet waar ze het over hadden, want ze praatten allemaal erg plat. En het was ook vaak matten op het veld. Ze spuugden naar tegenstanders en naar de scheids, schopten vaker tegen benen dan tegen de bal. We verloren vaak, en dat leidde tot bekvechten op het veld, onderling, wat ik altijd als een ongelofelijk teken van zwakte heb gevonden. Ik vond het dus maar niks, ik miste de gezelligheid van C2, werd steeds ongelukkiger. Ik maakte mijn gevoelens kenbaar aan de coach van C1, Cees Luijkens heette die geloof ik. Ik vroeg hem of ik niet terug kon naar c2. Nul op het rekest, en na een paar keer vragen was het met een “je speelt in C1 of je speelt helemaal niet” afgelopen.

Intussen waren de jongens van C1 erachter gekomen dat ik liever niet met hen in één elftal speelde, dus het werd erg gezellig in de kleedkamer. Uiteindelijk speelde ik als een natte krant en werd ik toch nog teruggeschopt naar C2. Maar mijn seizoen was om zeep.

Het jaar erna werd C2 c1, en de mannen van C1 gingen over naar de B-junioren. Het seizoen ging goed, en het jaar daarop werd C1 B2. Weer een jaar later viel ons team uiteen en kwam ik bij B1 terecht. Ik zat weer bij het ruige elftal. Inmiddels was ik natuurlijk ouder en was mijn huid wat dikker, en het ging redelijk goed, hoewel de mannen nog steeds beter konden ouwehoeren en rotzooi trappen dan voetballen, met de bijbehorende gevolgen voor de stand in de competitie.
Het werd echter steeds erger met het vechten. Bijna iedere wedstrijd werd er wel iemand uit het veld gestuurd, en de lol was er voor mij compleet af. Ik besloot de club te verlaten aan het eind van het seizoen, ook al betekende dat dat ik helemaal zou moeten stoppen met voetballen, want ik had geen zin om naar omliggende dorpen als Sprundel, Hoeven of St.-Willibrord te fietsen om te kunnen voetballen, en bij Internos of DSE spelen was geen optie. Dat was zoiets als een Ajacied die bij Feyenoord gaat spelen, onvergeeflijk.

In die tijd had meneer Martens van aardrijkskunde me een keer apart genomen op school, en hi had me uitgelegd dat het zo jammer was dat een intelligente jongen als ik, iemand die op het VWO zat, tussen die LTS’ertjes van Unitas voetbalde. Meneer Martens was een hoge pief bij Internos. Met zo’n houding is het enige dat iemand bij mij kan bereiken een grote afkeer van hem of haar, en alles waar die persoon voor staat, ook toen al. Ik heb een grote hekel aan elitisme. Niet goed voor de verstandhouding tussen meneer Martens en mij dus, die lijmpoging.

Ik hield er uiteindelijk nog eerder mee op dan gepland. Het was geloof ik een wedstrijd tegen Kruisland, en een van de tweeling had een tegenstander tegen de grond gewerkt. Hij werd heengezonden door de scheids. maar hij ging niet. In plaats daarvan stapte hij op de arbiter af en sloeg hem op zijn gezicht.

Het was het einde van mijn voetbalcarrière. De wedstrijd werd uiteraard gestaakt, we gingen douchen, de mannen gingen naar de kantine en ik stapte op mijn fietsje, reed naar huis, en zette nooit meer een voet op Unitasbodem.

Categories
schrijfsels

De trip

“Laten we daar wat gaan drinken.”
Bij “wat drinken” hoort in deze stad ook “wat eten”. We hebben geluk, in deze tent mogen we zelfs kiezen wat we bij onze biertjes krijgen.
“Als het maar vet is.”
“Dat je erin bijt en dat dan de olie langs je kin en hals naar beneden loopt, zodat we de rest van de avond een hardnekkige vlek bij de kraag…”
De ober is al weg.
“Geen gevoel voor humor.”
“Je moet ook niet zoveel ouwehoeren.”
Aan het tafeltje naast ons zitten vier oudere mensen, twee mannen en twee vrouwen. De mannen zijn behangen met goud en hebben dure pakken aan, de vrouwen zijn afschuwelijk opgetut, en dragen al net zoveel glinsterende dingetjes met zich mee.
“Tante Poes en haar zus op stap met Rinus en Hannes.”
“Tante Poes en haar zus verdienen zo te zien een centje bij.”
“Ja?”
Gonzo kijkt me spottend aan.
“Jij bent niet zo snel, he?”
“Al jaren niet meer.”
Het café is verlicht met tl-licht, en naast de spiegels die de hele zaak rond aan de wanden bevestigd zijn hangen leeslampjes. De spiegels zijn gelig, met bewegende vlekken erop, een beetje als de aanslag die je op koperen potten ziet. Wel gek, dat ze bewegen, die vlekken. Camarón de la Isla klinkt op de achtergrond, en de lucht is zwaar van de bakolie.
“Onze kleren zullen wel lekker ruiken zometeen als we hier weg …. hé! Voel je je wel goed?”
“Ja, hoezo?”. Hij ziet een beetje groen.
“Je ziet een beetje groen.”
“Het licht.”
“O.”
De ene hoer zit Rinus flink op te geilen daar aan dat tafeltje. Ze heeft een hard en afgeleefd gezicht. Gemeen, zelfs. Wat een lelijkerd. Zo bruin ook, van dat vieze zonnebankbruin, en veel te veel make-up. Ze glimt helemaal. Die andere ziet er veel vriendelijker uit. Ze begint ineens te snikken. Hadden we het toch fout. Hoeren beginnen toch niet te janken als ze aan het werk zijn?
“Dat vind ik wel een beetje bot, hoor”, zegt ze tegen Hannes. Die verdedigt zich wat lafjes, zegt dat het allemaal zo erg niet was wat hij haar net kennelijk heeft toegefluisterd.
“Wat vreemd dat ze zomaar begint te huilen.”
“Wat?” Gonzo kijkt een beetje verstoord. Hij was duidelijk niet met het tafeltje naast ons bezig. Maar waarmee dan wel?
“Neuh, niks.” Ik kijk weer terug naar onze vier buren. Ben ik nou gek, of zien ze er anders uit? Ze zitten te discussiëren. Rinus en zijn gemene hoer tegen Hannes en zijn lieve. Rinus laat zich kennen als een echte klootzak. Ik versta niet alles maar het komt erop neer dat hij vindt dat de lieve hoer haar smoel moet houden en gewoon moet doen wat haar verteld wordt. Daar wordt ze tenslotte voor betaald. Hannes ondertussen probeert de boel wat te sussen.
“Natuurlijk, er zit een dure maaltijd in zijn maag en in die van zijn zachte hoer, om over de kale huur van de juffrouw nog maar niet te praten.”
“Hè? Waar heb je het over, man?”
“Rinus en Hannes, kijk dan, hun avond dreigt in het water te vallen.”
Gonzo kijkt naar de vier en weer terug naar mij. Hij kijkt een beetje scheel. Vreemd, dat was me nog nooit opgevallen.
“Laten we gaan,” zegt hij. Hij stinkt uit zijn bek.
“Wat? We hebben onze hapjes nog niet.”
“Kom op man, ik kan hier niet tegen. Bovendien kots ik het straks toch allemaal weer uit.”
“Nou ja zeg.”
Rinus heeft inmiddels een sigaar opgestoken. “Dat past wel bij hem,” denk ik. “Mannen met sigaren zijn klootzakken.” De lieve hoer is nog altijd aan het snikken, terwijl Hannes zachtjes op haar inpraat. Ik loop langs hen heen de zaak uit. “Redden wat er te redden valt, jong,” zeg ik tegen Hannes. Rinus kijkt me aan, maar Hannes hoort me niet.
Gonzo komt achter me aan.
“Laten we naar Dos de Mayo gaan,” zegt hij.
“Okee.” Pffff, wéér naar Malasaña. Nou ja.
Het terras zit vol, maar we vinden een tafeltje. Ik moet even goed kijken voordat ik kan zitten. De stoelen staan helemaal scheef, doordat de poten niet allemaal even lang zijn. Die rare Madrilenen ook met hun zogenaamd hippe gedoe.
“Ze hebben andere stoelen aangeschaft.”
Gonzo begint te lachen. Onbedaarlijk te lachen.
“Ze hebben andere stoelen aangeschaft,” doet hij me na, hikkend van het lachen.
Ik moet ook lachen. Ik val bijna uit mijn stoel.
“Wat is er met dat licht, man?,” vraag ik als ik bekomen ben.
“Het beweegt hè? Goed.”
“Zie je de schaduwen van die bomen?”
Dani, de ober, komt bij ons staan.
“Jezus hee, heb je gezopen of zo? Fuck man, wat een kegel!”
“Feestje. Binnen. Wat willen jullie?,” zegt Dani.
“Cola. En hij ook.”
Gonzo heeft zijn ogen dicht en een grote grijns op zijn gezicht. Wat kan hij er soms stom uit zien, met die gele tanden van hem.
“Staat wel mooi, dat groen, bij die gele tanden,” zeg ik terwijl ik hem aanstoot.
Hij schrikt op. “Groen?”
“Ja, je gezicht. Je gezicht is groen.” Ik voel weer een slappe lach opkomen maar ik houd me in. Mijn tanden klapperen en ik hoor een gezoem in mijn rechteroor. Ik kijk naar de kinderen die even verderop aan het voetballen zijn. Ik vraag me af hoe ze de bal nu kunnen zien, met dit licht en al die bewegende schaduwen. Ik zie een paar gele slangen over de stoep schuiven. Het is druk om ons heen. “Vijhonderd,” zegt iemand. Er zit een ongelofelijk mooi meisje een paar tafeltjes verder. Prachtig ravenzwart lang haar, en wat een ogen. “De mooiste meisjes van Europa,” zegt een stem. “Yep.” Waarom zitten dat soort meisjes altijd op terrasjes met van die lelijke kerels? Oei, ik moet opletten dat ze niet merkt dat ik naar haar kijk. Gênant is dat. Mijn ogen dwalen over het terras, maar op de een of andere manier rusten ze om de drie seconden even op haar. Ze ziet het. Shit. Ik kijk terug naar ons tafeltje. Er staan twee glazen cola en er ligt een bonnetje onder een schoteltje met olijven. 500 peseta’s voor twee cola’s. Gonzo is weg. Ik neem een slok en probeer een ijsblokje in mijn mond te laten glijden. “Dat ziet er belachelijk uit, dat weet je toch wel he?” Met het glas aan mijn mond kijk ik om me heen. Fuck, het ijsblokje blijft steken. Uit mijn ooghoeken zie ik verschillende mensen mijn kant op kijken. Iets wijder mijn mond. Daar. Het tikt tegen mijn tanden, en plotseling hoor ik een hoge toon, keihard, van mijn rechteroor naar mijn linker gaan. Ik spuug het ijsblokje op de grond naast me.
“Wat doe je nou?” Gonzo is terug.
“Waar was je?”
“Geld wisselen voor de automaat.” Hij gooit een pakje Fortuna’s op de tafel en gaat zitten.
“Die dikke was binnen.”
“O, moet-ie niet draaien vanavond?”
“Zometeen.”
“Gaan we langs?”
“Tuurlijk.”
Er klinkt een sirene. Heel kort. Een brandweerwagen komt langsgereden, maar zonder veel haast. Hij stopt niet voor de slangen, die inmiddels van de stoep de straat op geschoven zijn, maar op de één of andere manier overleven de beesten het.
“In plaats van gewoon toeteren,” zeg ik.
“Wat?”
“Die brandweerwagen. Hij laat zijn sirene met korte stoten loeien, in plaats van te toeteren.” Het gevaarte rijdt wel erg langzaam. De brandweermannen achterop de wagen zwaaien. Ik zwaai terug.
Het terras loopt leeg.
“Zullen we dan maar?,” vraagt Gonzo.
Ik drink mijn glas snel leeg. Hoe lang zijn we hier geweest? Gonzo zegt nog iets tegen Dani, die lacht.
“Tot later,” zegt Dani tegen me.
“Yo.”
De Tupperware is bijna leeg. De dikke draait zijn gebruikelijke punkplaatjes. Ik loop naar de bar en kijk naar het barmeisje. Ze leest iets. Achter haar staat ze zelf op de muur afgebeeld, tussen haar twee zussen in. Ook al zo mooi. De muurschildering beweegt langzaam, en er zit ongewoon veel echo in dat Stooges-nummer.
“Heb je de echo open staan?,” vraag ik aan El Gordo.
“Waaat?”
“Of je de echo open hebt staan!”
“Echo? Ik draai punk hoor. Niks echo, het is hier geen disco. Wil je een lijntje?”
“Nee man.”
“Homo. Wat wil je drinken?”
“Twee biertjes. Wat was dat voor feestje op Dos de Mayo?”
“Hoe weet jij dat?”
“Gonzo. Ik zat op het terras.”
“O. Gewoon, een feestje.”
Ik loop met twee flesjes Mahou in mijn handen terug naar Gonzo, die op het biljart is gaan zitten. Weer die stompzinnige grijns op zijn gezicht. “Aaah, lekker.”
De deur gaat open en twee jongens komen binnen. De ene heeft een hele rare kop. Zijn haar zit op zijn hoofd geplakt en hij heeft enorme bakkebaarden, en twee gigantische hazentanden. En een bril. “Hij lijkt op Calimero met bakkebaarden,” zeg ik tegen Gonzo.
Gonzo begint te lachen. “Ja, inderdaad.”
Calimero komt naar ons toe. Fuck, hij heeft me gehoord. Ik zet me schrap.
“Hee, Gonzo, lang geleden,” zegt hij.
“Hipo, dit is Dave, Dave, Hipo.”
“Hipo?”
“Van Hipólito,” zegt Calimero. “Ik ken jou wel.”
“Kan niet.”
“Hoezo?”
“Ik woon hier nog maar net.”
“O.”
Ik moet weer lachen, en mijn tanden klapperen nog harder dan eerst. Het gezoem is ook weer terug. Calimero kijkt me aan, alsof hij ergens op wacht, maar ik heb geen idee waarop dus ik hou verder mijn mond.
“Nou, ik zie jullie nog wel he.”
“Yo.”
De muurschilderingen zijn geweldig. Fel oranje, fel blauw en geel, en de priemende zwarte ogen van de drie zussen, die tegen me lijken te praten met hun bloedrode monden. Rond hun hoofden kronkelen dezelfde slangen als die ik eerder op het terras zag. Die beesten zijn overal. Ik zeg tegen mezelf dat dat onmogelijk is, het zijn immers muurschilderingen. Maar het geeft niks. Alles is okee. Ik voel me alsof ik in warm water drijf, terwijl die dikke de ene rauwe en echoënde punkplaat na de andere draait. Wel gek dat ik mijn ogen niet stil kan houden, en mijn tanden klapperen weer.
Ik weet niet hoe lang we er al zijn, maar Gonzo wil weer weg. “Laten we naar No Fun gaan,” zegt hij.
Ik vind alles best, dus ik volg hem de straat op. Het barmeisje zwaait naar me, en ik zwaai terug.
Het is gigantisch druk. Auto’s en brommers, en een massa tieners die op de stoepen zitten, de meesten met grote flessen cola en kartonnen pakken Don Simón naast zich. Voor de kalimotxo. Gonzo loopt sneller dan ik, ik heb moeite me door de massa mensen heen te wringen. Ik voel onrust. Vóór mij hoor ik ineens geschreeuw boven het lawaai van de mensen en auto’s uit. Ik zie een busje naderen van de Nationale Politie en eromheen lopen wat jonge gasten naar de mannen in het busje te joelen. “Politie, moordenaars,” zingen ze. Iemand roept “Leve ETA!”. Ik lach maar probeer niet teveel om me heen te kijken. Het is al moeilijk genoeg om recht vooruit te lopen. Het geluid is soms helder, en soms één grote echoënde en anderszins vervormde brij. Plotseling staat Gonzo voor me.
“Gaat het?”
“Ja hoor.”
Hij lacht. “Wat een zootje he?”
In het gedeelte waar No Fun ligt is het een stuk rustiger. Er staan wat gasten bij de deur, die Gonzo begroeten. Ze lachen, en kijken ook naar mij. “Hallo hallo, hier aarde, ontvangt u mij?,” roept iemand. Iedereen lacht. Ik ook, maar ik vraag me tegelijkertijd af hoe ze dat zo snel in de gaten hebben gekregen. We lopen toch niet echt te zwalken of zo.
Binnen is het stampvol, maar ik hoor geen muziek. Ik kijk in de richting van de DJ-cabine, waar de Haai staat. Hij kijkt me aan, en dan knalt “Waiting for the Man” keihard uit de speakers. De Haai kan niet meer stuk voor mij, net als deze avond. “Goeie zet, om hierheen te verhuizen,” zeg ik tegen mezelf, maar ik hoor het niet eens door het lawaai om me heen. Gonzo stopt een flesje Mahou in mijn handen. Ik hoef geen bier meer. Ik hoef helemaal niks meer. Ik laat het bier uit het flesje lopen, niemand die het zal merken in deze dansende menigte. Ik hang wat tegen mensen aan, doe mijn ogen dicht. “Heeeeeeeeee!” roept iemand in mijn oor. Ik doe mijn ogen open. Het is het meisje van het terras. Wat is ze mooi. “Je geeft licht,” zeg ik tegen haar.
“Waaaat?”
“Je geeft licht!” Ik ruik aan haar haar. Zoet. Ze gebaart dat ze me niet verstaat en haalt haar schouders op. Ze lacht, en danst verder.
“Oh well,” zeg ik, en sluit mijn ogen weer. De muziek stroomt door mijn lichaam, de rillingen lopen over mijn rug. Ik merk dat het niet uitmaakt of ik mijn ogen open of dicht heb, ik zie steeds dezelfde dansende kleuren, neonflitsen. “Het lijkt wel een film,” zeg ik, weer tegen mezelf. “Een videoclip!” De mensenmassa wordt een waas, ik probeer tijdens het dansen te draaien om niet de hele tijd dezelfde richting uit te kijken. Ik zie er vast belachelijk uit. “Denk je nou echt dat iedereen op je zit te letten? Zo belangrijk ben je niet hoor, maak je maar geen illusies.” De stem verdwijnt in het lawaai van Iggy’s “TV Eye”, en ik begin hard mee te schreeuwen. Ik sta onder stroom.
Als we buiten komen is het licht. Gonzo woont om de hoek en ik heb eigenlijk wel zin om bij hem op de bank te gaan hangen. Ik voel me vreemd, leeg maar niet moe. Mijn tanden klapperen nog steeds een beetje. Gonzo staat nog even met de portier van No Fun te praten. Ik ga zitten in een portiek aan de overkant, maar Gonzo komt al aangelopen.
“Kom op, we gaan. Je kunt wel bij mij slapen.”
“Okee, vind ik een goed idee.”
“Wel op de bank he, ouwe nicht.”
Ik moet lachen maar door mijn klapperende tanden en het gezoem in mijn oren kom ik niet verder dan een “dzzz-zzz-dzzz”. Laat ook maar.
Bij Gonzo thuis moet ik naar de plee. Voor het eerst in de hele nacht, bedenk ik me ineens. Ik giechel. Ik heb geen zin om te staan dus ik laat mijn broek zakken en ga zitten. “Mijn moeder zou trots op me zijn,” denk ik. De vloer golft een beetje, en als ik mijn ogen iets anders focus, zie ik duizenden zwarte stipjes krioelen, als een legioen mieren. Zodra ik beter kijk verdwijnen ze weer. Ik buig wat dichter naar de grond. Geen mier te zien.
Vreemd.

Categories
schrijfsels

A fortunate son

Ik leerde Lee kennen bij Comforte in Madrid, 1994. In de eerste week klikte het; twee Noord-Europeanen in een Mediterraans land, dat werkte wel. Maar al snel begonnen we elkaar te irriteren. Lee voelde zich bedreigd door mij. Tot ik kwam was hij degene die (volgens hem) het meeste van muziek wist, de meest open mind had van iedereen die bij Comforte werkte (ook volgens hem), en hij was het aanspreekpunt wat betreft de buitenlandse contacten. Toen kwam ik, die minstens net zo veel met muziek bezig was als hij, en net zo open stond voor alles wat met muziek te maken heeft. Daarbij kwam dat ik waarschijnlijk wat makkelijker in de omgang was dan hij, of in ieder geval wat beleefder. Punk as fuck, dat was Lee, en sommige mensen konden daar niet zo goed mee om gaan. Toen kwam het jonge Hollandertje dat altijd “meneer” zei en bovendien direct in contact stond met het hoofdkantoor in Nederland, en dat viel in goede aarde bij de mensen, blijkbaar. De relatie tussen Lee en mij verslechterde. Hij was mijn “meerdere”, en hij liet dat op steeds ergerlijker wijze weten. Tot het punt waarop hij me niet langer met respect behandelde, maar me gewoonweg afblafte als de eerste de beste sukkel.

Een aantal zeer hoog oplopende discussies waren het gevolg, steevast eindigend in slaande deuren bij het woordeloze vertrek van één van ons twee. Tot de dag dat ik overkookte.

Het was iets onbenulligs waarschijnlijk, maar er werd wat geschreeuwd, waarop ik zei dat hij normaal tegen me moest praten. Het antwoord “jij bent maar een sukkel en je hebt te doen wat ik zeg en daarmee uit” deed het hem. Ik draaide me naar hem toe en gooide zijn bureau omver. Terwijl hij klem lag tussen de vloer en de tafel, boog ik me over hem heen en siste (nou ja, waarschijnlijk sprak ik gewoon. Misschien met wat consumptie. Maar “siste” is mooier voor het beeld) dat hij nooit, maar dan ook nooit meer op die manier tegen mij moest praten want dan zou ik zijn kop van zijn romp trekken. Ik meende het ook nog.

In de dagen die volgden sprak ik niet tegen hem. Letterlijk. Hij vroeg me om op zijn minst professioneel te zijn en in ieder geval het noodzakelijke tegen hem te zeggen om ons werk goed te kunnen doen. Ik weigerde. Mijn trots was gekrenkt, en als het eenmaal zover is, dan draai ik niet snel bij. Gesprekken (apart van elkaar, natuurlijk) met de baas, waarin men de boel met woorden probeerde op te lossen, hielpen niet. Ik was al van plan om een andere baan te zoeken, want met Lee spreken zou ik niet meer doen.

Na een week was er een concert van Redd Kross in de Revolver in het centrum van Madrid. Ik ging erheen, met een aantal collega’s. Ik had net een envelopje met papertripjes ontvangen uit Nederland en ik was van plan om eens flink naar de klote te gaan. Hetgeen geschiedde.

Lee was er ook, dronken als een Maleier. Na het concert sprak hij me aan.
“Talk to me.”
“You smell of booze.”
Ik was aan het hallucineren, maar ondertussen toch nog genoeg bij zinnen om te beseffen dat het allemaal een beetje uit de hand was gelopen, die ruzie tussen ons. We gingen zitten en hij begon me met dikke tong uit te leggen dat hij me zeer waardeerde. Dat ik de enige was binnen het bedrijf met wie hij op een normale manier over muziek kon praten. Dat ik op dezelfde lijn zat als hij. Dat ik een ego had dat minstens zo groot was als het zijne. En terwijl hij tot me sprak bedacht ik me dat ik net zo over hem dacht. Ik zei het hem, waarop hij vroeg waarom we dan in godsnaam zo’n ruzie maakten.
“Omdat jij een ego hebt dat minstens zo groot is als het mijne.”

Na die avond waren Lee en ik de beste vrienden. We werkten perfect samen, we tripten samen, we gingen naar concerten en haalden nachten door in de Louie Louie, de No Fun en de Tupperware. Hij vertelde me in geuren en kleuren over zijn belevenissen bij de straathoeren van de Calle del Desengaño, hoe hij zich na het betalen van 3000 pesetas aftrok boven de tieten van Madrid’s beroemdste tippelaarster, een dame van in de zestig die er uitzag alsof tante Poes de baan op was gegaan nadat het café gesloten was, en die wij “Lola Tomillo” noemden, naar het liedje dat Patrullero Mancuso over haar geschreven had. Hoe hij met zijn vriendin Sol op doordeweekse nachten naar de parenclubs van de stad trok om daar met andere vrouwen te neuken, terwijl zij aan de bar een wijntje dronk.
“Ja, je mag nu eenmaal niet alleen naar binnen in zo’n club,” zei hij dan. En “die domme macho-Spanjaarden, geweldig zijn ze. Ik vraag aan zo’n vent of ik met zijn vrouw naar bed mag, dan zegt hij steevast ‘ja’. Als hij hetzelfde aan mij vraagt zeg ik dat hij dat maar aan Sol moet vragen. Die zegt altijd ‘nee’, maar intussen lig ik al op zijn vrouw, heheh”.

Op een zondagmorgen liep ik de over Callao toen ik hem tegenkwam. Hij had een tas in zijn handen van een bekende damesschoenenwinkel.
“Ik ga vanavond naar een fetishparty,” zei hij. “Inkopen gedaan.”
Hij haalde een doos uit de tas en liet mee een paar enorme pumps zien met stilettohakken.
“Someone’s gonna suck on them tonight.”

Lee Robinson. Wat een geweldige gast. Op 27 december 2001 is hij op 44-jarige leeftijd doodgegaan aan kanker.
Zo gaat dat.

Kenneth Lee Robinson (1957-2001) was lid van verschillende bands als Fortunate Sons (misschien wel de bekendste, met leden van The Barracudas en Flamin’ Groovies), The A-10, The Great Outdoors, Yage, C’mon Babies en Sin City Six. Als Lee Robinson Machine nam hij een album op genaamd “Family Album”.