Categories
schrijfsels

bas

Ik speelde in de band omwille van haar.
De slechtste bassiste ter wereld.
Legendarisch omdat ze ritme saai vond.
Maar wij -iedereen in de band was fan- keken enkel naar haar hand.
Hoe gedreven die langs de hals van haar bas gleed.
Even opwindend als het behaatje met tijgermotief dat ze nooit onder haar podiumtopje kon verstoppen.
De PA lieten we zweren dat hij haar volume op 1 liet staan.
En in het contract stond dat de spot op haar moest worden gericht.
Want net als het publiek kwamen we alleen maar voor haar.
Niemand die merkte dat we vergaten te spelen toen ook het bandje van haar schouder gleed.
Woorden: 111/Tekens: 500/Zij: 2
uit: zijx500, van hijx500, die vanuit zijn boekblog telkens een kort verhaal [van 500 lettertekens maximaal] publiceert op andere weblogs. kijk hier welke andere sites eveneens meewerken.

Categories
schrijfsels

Het komt nooit meer goed

“Het komt nooit meer goed!,” schreeuwde DJ1 in mijn oor. Hij pakte me bij mijn schouders, week iets terug en keek me triomfantelijk lachend aan. Zijn ogen waren bloeddoorlopen, zijn mondhoeken leken een uiterste inspanning te doen zo dicht mogelijk bij zijn oorlellen te komen. “Het komt nooit meer goed met jullie!,” schreeuwde hij nog eens.
Ik was ziek van de nederlaag en had geen zin om me te verweren. Het had toch geen zin. Al zes jaar ken ik DJ1, en iedere keer als we spreken komt het uiteindelijk op hetzelfde onderwerp uit: Nederlanders slecht, Belgen goed. Ik lachte maar wat en keek naar de lege dansvloer.
“Ik ga nog even in die andere zaal kijken,” schreeuwde ik in zijn oor. “Ik zie je zo.”
DJ1 stak zijn duimen omhoog en grijnsde. “Het komt nooit meer goed,” liplas ik nog maar eens.

“Het komt godverdoeme nooit meer goed met jullie he!” Zijn kwade stem weerkaatste tegen de gebouwen rondom ons. “Wat is dat hier! Zo behandel je je artiesten toch niet! Godverdoeme joeng!”
DJ1 had samen met de andere DJ een fles whiskey soldaat gemaakt tijdens het draaien. “That might have helped,” legde DJ2 lachend uit toen ik deze zei dat ik DJ1 nog nooit zo kwaad had gezien. Ik lachte terug, maar dacht aan de 100 kilometer snelweg die ik nog voor de boeg had. In DJ1’s auto.
“Godverdoeme joeng.” Hij scheurde de verkeerde straat in. De auto stopte, ging vervolgens in een razende vaart achteruit. Bijna zonder te stoppen schakelde hij weer en we schokten weer vooruit, nu de juiste weg op.

Langs het water was de stad op haar mooist, maar ik kreeg geen kans ervan te genieten. Hij reed 120. “Je mag hier maar 50 hoor, en ze controleren nogal hier,” probeerde ik boven de muziek uit te komen. Zijn blik bleef op de weg en hij zei niks. Nou ja, het was toch 5 uur ‘s ochtends, er was niemand op de weg en de politie slaapt ook op dit tijdstip, dacht ik.
“Dit vind ik zo’n fantastisch nummer,” riep DJ1 plotseling. PJ Harvey’s ‘Letter’ knalde uit de speakers. Goed geluidssysteem, voor een auto, dacht ik nog. Hij zette het volume op oerend hard. In zijn rechterhand hield hij zijn gsm, hij was aan het sms-en.

In zo’n grote auto merk je bijna niet dat je 170 rijdt, behalve als er wegenwerken bezig zijn en de rijbanen versmald zijn, en je zich wel aan de snelheidslimiet houdende auto’s met caravans rakelings passeert. Ik had nooit in die auto moeten stappen, dacht ik. Maar hij doet dit ieder weekend, dus hij zal wel weten wat hij doet, stelde ik mezelf gerust. Wonder boven wonder hielp het. Het brein kan rare dingen met een mens doen. DJ1 legde zijn hand op mijn knie. “Ça va, jongen, ça va,” zei hij geruststellend. Jezus, was het zo duidelijk? Een mietje, dat ben je, zei ik tegen mezelf.

Al sms-end bleef hij straf doorscheuren, met ‘Letter’ op repeat. Zo gaat de lol er ook wel af, dacht ik nog. We hebben een paar auto’s op een haar na gemist bij het inhalen. Hij reed harder dan alle anderen, dus we werden zelf nooit ingehaald. Gelukkig maar, want hij is geen moment binnen zijn rijvak gebleven.

Na drie kwartier kwamen we waar we zijn moesten. We stapten uit en DJ1 ging staan pissen in de bosjes. “Aaaaaaaaahh,” hoorde ik een paar keer. Hij deed er bijna vijf minuten over. “Aaaaaaaaaaah.” Zijn lul hing nog half uit zijn broek toen hij terug kwam lopen. Ik wees erop. Terwijl hij zijn kruis op orde bracht, bleef hij wankelend staan. Hij keek me met lodderige ogen aan.
“Dit is toch geen leven zo,” zei hij.

Categories
schrijfsels

De lift 1

Ik liep naar de onofficiële liftplaats bij de stoplichten op de President Kennedylaan. De echte liftplaats was de Utrechtsebrug over en ik had even geen zin om zo ver te lopen. Er stonden al een aantal lifters, dus in gedachten maakte ik toch de gang al naar de Utrechtsebrug. Eerst even proberen.
“Sta je hier al lang?,” vroeg ik de jongen met het bordje “Antwerpen” in zijn hand.
“Een paar uur,” antwoordde hij met Vlaamse tongval. De moed zonk me in de schoenen. Ik moest naar Breda, dezelfde richting dus als de Vlaming. Ik liep een eindje van hem vandaan en zette mijn tas neer. Ik haalde mijn karton met “Breda” erop uit de tas en keek op, recht in het gezicht van een dikke man met een mullet en gouden ringen in beide oren. Hij keek me guitig aan, zijn linkerarm losjes hangend uit het raampje van zijn witte Mercedes 500SEC. Naast hem zat een zonnebankbruine man met kort gepermanent haar en een bruine bontjas.
“Zo jongen, moet jij naar Breda?,” klonk het in vet Amsterdams.
“Dat heeft u goed gelezen, ja,” zei ik, me voorbereidend op een spervuur aan flauwe grappen, nog effe snel voor het stoplicht op groen ging.
“Na, stap maar in dan.”
Ik kon mijn oren niet geloven. Nog geen minuut had het geduurd om een lift te krijgen. De Vlaming kwam aangespurt. “Hee, ik moet naar Antwerpen, kan ik niet mee tot aan Breda?”
De dikke bekeek hem van top tot teen. “Ben jij een Belg?”
“J-ja,” stotterde de Vlaming.
“Da’s nou jammer.”
“M-maar…”
“Groen!,” riep de dikke en hij gaf volgas. Ik keek achterom en zag dat de jongen ons vertwijfeld nakeek, zijn beide armen in de lucht. De bruine bontjas keek ook. Een vette lach klonk. “Duizend bommen en granaten!,” riep hij. “Gekke Belgen, die moet ik niet in m’n auto hoor.” Hij knipoogde naar me. “Hoe heet jij?”
“Dave.”
“Zo, hallo Dave. Ik ben Rinus, en hij hier heet Hannes.”
Ik lachte, denkend dat hij een geintje maakte. De twee leken uit een slecht toneelstuk van het Theater van de Lach weggelopen met hun potsierlijke kledij en met goud behangen lichamen. De namen Rinus en Hannes moesten haast wel verzonnen zijn. Maar Rinus lachte niet. “Valt er iets te lachen?”
Ik haastte me om nee te zeggen, en de bontjas draaide zich weer om.
“Wat ga je doen in Breda?,” vroeg Hannes.
Ik had afgesproken met een vriendin die mij wilde gebruiken voor een fotostudie, dus ik zei dat ik naar een afspraak moest.
“Met een wijf? Ga je met een wijffie afspreken?” Weer die vette lach, en ik lachte maar wat mee. “Wat voor kleur haar heeft ze?”
“Rood,” zei ik, en de twee begonnen te joelen.
“Wooooo! Hij heeft een afspraak met een rooie! Nou dan weet ik wel wat jij gaat doen jongen!”
Ik kon niet geloven dat ik met twee zigeuners in een witte Mercedes 500 SE Coupé met 170 kilometer per uur over de A2 scheurde, terwijl mijn gastheren de ene na de andere cliché-oneliner eruit gooiden.
“Hij gaat neuken, hahahaaaaaa!,” riep Rinus.
“Hee, even serieus,” zei Hannes. “Je weet wat ze zeggen over roodharige wijven he. Ik zou maar oppassen als ik jou was, zo’n jong broekie.” Hij keek me met pretoogjes aan in zijn achteruitkijkspiegel.
Intussen pakte Rinus een krant tevoorschijn. Het was de Telegraaf, en hij sloeg de pagina open waar altijd rechtszaken behandeld werden, met een tekening erbij van de verdachte. De verdachte kwam me bekend voor. Ik boog voorover om beter te kunnen kijken, toen Rinus uitriep: “Heee! Goran staat in de krant!”
Het was inderdaad Goran, een Joego gangster die vroeger met mijn tante getrouwd was geweest.
“Hahaaa! Die Goran. Eindelijk beroemd.” De twee gilden van het lachen, en ik ook. Ik was in een klucht terechtgekomen. Rinus draaide zich om. “Wat lach jij nou?”
“Nou, eh, ik ken Goran ook.”
Hannes keek me weer aan via zijn spiegel. “Oh ja joh? Hoe dan?”
“Hij was vroeger getrouwd met mijn tante.”
“Hoe heet je tante dan?”
“Patricia.”
Rinus en Hannes keken elkaar aan. “Teeeeering! Ben jij familie van Patries? Niet te geloven! Dus Goran was je oom? Haha, lekkere familie heb jij.” Rinus schaterde. “Hoe gaat het met ‘r? Het is zeker vijftien jaar geleden dat ik die gezien heb. Dat was een wilde, hoor.”
“Het gaat wel goed met haar. Ze woont weer in Belgrado.”
“Ja natuurlijk, die kan niet zonder die Joego’s. Ik wed dat ze…” Rinus stopte omdat Hannes hem aanstootte. Ik besloot er niet naar te vragen, en wees op het artikel. “Wat heeft hij gedaan?”
“Hij zal wel weer een partijtje pillen hebben gesmokkeld,” zei Hannes. “Of wapens.” Nu was het Rinus die Hannes een por gaf. Hannes keek me aan. “Da’s een slechte hoor, die oom van jou.”
“Ik weet het,” zei ik.
Plots klonk er een luide knal, en de auto begon te slingeren. Mijn hart zat in mijn keel en Hannes vloekte hartgrondig. In een paar seconden bracht hij de auto tot stilstand op een niet al te gunstige plaats, aan het einde van een oprit. De auto’s raasden langs ons heen, en Rinus stapte uit. Hij liep naar achteren en kwam weer terug. Door het raampje zei hij dat we een klapband hadden.
“Godverdegodverdegod.” Hannes keek achterom om te zien of het veilig was om uit te stappen, maar het was spitsuur en het verkeer hield niet op. Hij wurmde zijn grote lijf naar de passagierskant en stapte uit. Ik ging ook. De twee stonden voorovergebogen over de kofferbak, op zoek naar een moersleutel. De krik lag al naast de auto. Ik keek mee, maar Hannes keek op. “Wat doe jij?”
“Kijken of ik kan helpen,” zei ik.
“Jij gaat lekker in de auto zitten. Hier, rook een saffie.” Hij hield me een pakje Davidoff voor. “Hier heb jij niks te zoeken. Wij handelen het wel af.”
Ik nam een sigaret, liep naar de voorkant van de auto en ging zitten op de vangrail. Waar was ik in godsnaam in beland?

Categories
schrijfsels

De geheimenman

De man met het zwarte haar keek droevig voor zich uit. Hij nam een trek van zijn sigaret en hief het hoofd.
“Weet je wat het is? Mijn familie. De hele geschiedenis van mijn familie is een aaneenschakeling van donkere geheimen en onderlinge ruzies. En niemand praat erover. Ik zie het allemaal gebeuren en ik leg de verbanden, omdat men blijkbaar heeft besloten dat ik degene ben met wie je praten kunt. Dus iedereen vertelt al zijn problemen tegen mij. Maar ik wordt altijd gedwongen tot geheimhouding. Ik ben een vat vol geheimen die ik nergens kwijt kan. Een geheimenman. Altijd al geweest. Dat is mijn tragiek. Daar ben ik door gevormd. Daardoor kan ik nauwelijks een normale relatie hebben met een vrouw. Want ik hou alles wat mij gebeurt, wat mij bezighoudt, voor mezelf. Net als de rest van de familie. Weet je wat mijn allereerste herinnering is? Mijn moeder die ligt te neuken met een man die niet mijn vader is. Haar geschrokken gezicht. Oom Poeproep die van haar afspringt en naar me toe loopt om me de kamer uit te werken. Dat zwiepende, schuin omlaag wijzende zwarte ding tussen zijn benen, terwijl zij roept dat ik terug naar de woonkamer moet, lekker spelen. Maar dat was nou juist waarom ik haar zocht. Ik was met een brandweerauto aan het spelen en het touwtje waarmee ik hem voorttrok was tussen de wielen gekomen en ik kreeg het er niet meer uit.”
“Oom Poeproep?,” vroeg ik.
“Ja, oom Poeproep, ja. Hij was een vriend van mijn ouders. Hij kwam heel vaak op bezoek en dan maakte hij poepgrapjes. Dan liet hij een harde scheet en dan zei ik of mijn broertje iets van gadverdamme, en dan zei hij altijd ‘Wie het eerste roept heeft gepoept’, en dan lachten we allemaal. Een lange zwarte man met haar als de Jackson 5. Maar je mist de essentie. Het gaat niet om oom Poeproep, het gaat erom dat ik hier nooit over kan praten met mijn moeder of iemand anders van de familie. Het zou een fantastische anekdote zijn als het niet zo… beschamend was. Je moest eens weten hoe vaak ik bij dineetjes heb zitten popelen om dat verhaal te vertellen. Kun je het je voorstellen? Zitten we lekker aan de koffie met gebak na het eten, sigaretje erbij. Schoonvader die vertelt hoe zijn kleinzoon alles oppikt wat hij hoort, woorden nazegt en zinnen begint te vormen. Schoonzus die zich hardop afvraagt hoe veel een kind zich nog zal kunnen herinneren later, van deze tijd. En één voor één vertellen de tafelgenoten wat hun eerste herinnering is. Leuke verhaaltjes, maar dan kom ik. ‘Mijn eerste herinnering is dat ik mijn moeder betrapte met haar buitenman. Hij had een hele grote piemel die half hard en glimmend heen en weer zwiepte.’ Doodse stilte. Schoonmoeder die als eerste iets zegt. ‘Iemand nog koffie?’ Zie je het voor je?”
Ik begin te lachen, maar hij kijkt me verwijtend aan.
“En mijn eigen moeder kan ik daar al helemaal niks over zeggen. Die arme vrouw zit iedere zondag in de kerk boete te doen voor haar scheiding tig jaar geleden. Ze heeft het al zwaar genoeg, met haar rug en zo. Met haar zieke zuster, van wie ik weet dat ze in de jaren zeventig door haar man werd gedwongen de hoer te spelen. Met haar pas gescheiden broer, van wie ik weet dat er geen jaar is geweest in zijn huwelijk dat hij niet achter de rug van zijn vrouw de ene na de andere snol in zijn bed lokte. Met haar zieke moeder, van wie ik weet dat zij haar man aan de kant heeft gezet toen ze zwanger was van mijn moeder, in plaats van andersom. Peyton Place is er niks bij.”
De man stond op.
“Ik ga maar eens,” zei hij somber. “Tabee.”
Hij sjokte van me weg. Na een paar meter stond hij stil en keek om.
“Aan niemand kan ik het kwijt!,” riep hij uit. “Niemand!”
Toen verdween hij de hoek om, en ik haalde mijn opschrijfboekje en pen uit mijn binnenzak, om trefwoorden uit zijn verhaal te noteren, opdat ik het niet zou vergeten.

Categories
schrijfsels

Broodje ham met zuur

“Mag ik een ciabatta met parmaham en…”
De eigenaar van de broodjeszaak onderbrak de klant op chagrijnige toon.
“Ik heb geen ciabatta’s meer. Alleen nog meergranenbrood.”
“Ach… nou ja, dan maar een meergranenboterham met parmaham en truffelolie, om mee te nemen.”
“Met parmezaanse kaas?” vroeg de broodjesman.
“Ja graag.”
De broodjesman liep naar de broodsnijtafel links van de toonbank en pakte een brood uit de verpakking. Hij sneed twee dikke plakken brood af. De klant keek om zich heen, en zoals altijd bleven zijn ogen hangen bij één van de krantenknipsels waarmee de wanden van de broodjeszaak behangen waren. Italiaanse kranten waren veel leuker van opmaak dan de Nederlandse, vond hij. Hij wilde net beginnen met het lezen van een stuk uit de Corriere della Sera over coach Trappatoni toen de broodjesman plots begon te praten.
“Ik ben laatst in Firenze truffels gaan eten.”
Hij sprak “Firenze” op een overdreven Italiaanse manier uit. “Fidèèntsè.”
“Die man van het restaurant was een slimme, hij ging rond met een kom die gevuld was met witte truffels, gewoon, we mochten allemaal even ruiken. Terwijl we met de kaart in onze handen zaten. Ik had natuurlijk helemaal geen aandacht meer voor het menu. Iedereen pasta met truffels besteld. Heer. Lijk. Echt, ongelofelijk lekker. Maar ja, hij rekende wel vijfentwintig euro per portie.”
“Dat is nogal wat, zeker in Italië. daar kun je toch vrij goedkoop eten,” zei de klant.
“Een bord pasta voor vijfentwintig euro, daar moet je echt goed naar zoeken,” beaamde de broodjesman.
“Het waren wel flinke porties hoor, het was het geld echt wel waard. Zoiets kun je buiten Italië niet vinden, zo lekker. We zijn nog een dag in Si-jèèna geweest, ook zulk fantastisch eten. En wijn. Ik hou nogal van wijn. We waren in een proeverij, heel mooi, veel eiken, een grote open ruimte en tegen alle wanden stonden enorme rekken vol flessen wijn. Die gast kon zijn geluk niet op. We waren met tien, allemaal mannen, Belgen. Gouden zaken. We hebben ons flink laten gaan. Kostte twintig euro de man, da’s toch niks?”
“De Fransen en de Spanjaarden kunnen lullen wat ze willen, maar nergens eet je zo lekker als in Italië, en zo goedkoop,” zei de klant.
De broodjesman zuchtte diep.
“Italië… En dan die vrouwen, ah! De mooiste vrouwen van Europa.”
“Maar ook de meest gestoorde,” zei de klant. “Heb ik me laten vertellen.”
De broodjesman lachte. “Daar zou u wel eens gelijk in kunnen hebben.”
Hij liep naar de rol papier die aan de muur van de keuken hing en scheurde een vel af om de boterham in te verpakken. “Dat is dan zeven euro vijftig.”
“Zo,” grapte de klant, “aan het sparen voor de verhuizing naar Fidèèntsè?”
Het gezicht van de broodjesman verstrakte.
“Zeiken over geld voor een goede maaltijd, dat doen Italianen ook nooit,” zei hij.
“Italiaanse broodjesverkopers zijn dan ook geen zuurpruimen met varkenskoppen,” antwoordde de klant. Hij draaide zich om en liep weg.
“Strondzòòòònè!” schreeuwde de broodjesman.
“Je moeder!” riep de klant, de deur met een klap achter zich dicht slaand.

Categories
schrijfsels

Geklutst, niet gebakken

Toen de wat oudere man zag dat er op één meneer na niemand zat aan de lange tafel, die hij niet anders kende dan vol met borden, mokken, broodmandjes, belegschaaltjes en melkkannen, ontspande hij zijn buikspieren en liet zijn overtollig vet hangen.
“Wat is dat toch fijn,” dacht hij net, toen het leuke jonge meisje naar de toonbank kwam. Zijn buik sprong automatisch op openbare-ruimte-stand, maar hij keek toch snel even naar beneden om te controleren of hij zijn schoenen kon zien.
“Kan ik u helpen?” vroeg het leuke jonge meisje verlegen. De wat oudere man bestelde zijn twee croissants en bedacht zich dat de eieren op waren. Hij had zin in eieren.
“Zijn die rauw of al gekookt?” vroeg hij, wijzend op het mandje eieren op de toonbank.
“Ze zijn vers en rauw,” antwoordde het leuke jonge meisje.
“Dan wil ik er graag twee meenemen.”
“Wilt u een tasje?” Hij antwoordde dat dat niet nodig was en haalde zijn portemonnee tevoorschijn. Toen hij de drie muntstukken in haar hand had gelegd en zijn portemonnee had opgeborgen draaide hij zich met een “Tot ziens” om naar de deur.
“Dag,” zei het leuke jonge meisje. “D-d-doet u voorzichtig met de ei, eieren? Straks komt u thuis met gebakken eieren.”
De wat oudere man draaide zich om en lachte om het onhandig uitgevoerde grapje.
“Gebakken? Geklutst bedoelt u zeker?”
Het leuke jonge meisje werd vuurrood.
“Eh, ja, natuurlijk. Geklutst.”
“Zal ik doen. Dag!”
Het leuke jonge meisje wierp een snelle blik op de meneer aan de tafel en werd nog roder. Ze draaide zich om en vloekte zachtjes in zichzelf.

Categories
schrijfsels

Scary monsters

Hij wist dat hij die nacht niet goed zou gaan slapen. Het was niet de eerste keer dat hij daar ging logeren, en de vorige keren was hij ook al stevig uit zijn slaap gehouden. Hij vervloekte zichzelf om zijn bangigheid, zijn onvermogen om normaal op dat soort dingen te reageren.
Maar hij wist ook dat er niets aan te doen was. Het beste was om gewoon een hele zware joint te roken zodat hij als een blok in slaap zou vallen; misschien dat hij dan niets zou merken.
In eerste instantie werkte het. De man met de hamer kwam langs en gaf hem een ongenadig harde klap op zijn hoofd – hij viel in een diepe, droomloze slaap.
Daar was het. Uit de verte, als uit een tunnel, kwam het besef en meteen daarop de pijn van de steek. Meteen zat hij rechtop, zijn hart bonkend in zijn keel. Het was aardedonker, maar hij wist wat er aan de hand was. Een gevoel van wanhoop bekroop hem. “Ik wil naar huis,” dacht hij, en “Waarom ben ik niet op de laatste trein gestapt, dan had ik nu rustig in mijn eigen bed gelegen.” Hij vloekte zachtjes. Hij vond zichzelf een mietje.
De pijn had een fractie van een seconde geduurd. “Het is meer de angst voor de schrik dan dat ik echt bang ben,” zei hij tegen zichzelf. Het was waar. Net als bij muizen, was hij gewoon bang om te schrikken.
Hij ging weer liggen. “Het zal niet voor het laatst zijn,” dacht hij, terwijl hij weer wegzonk in zijn slaap.
Het duurde een minuut. Opnieuw een korte steek in zijn voet, en hij zat meteen weer rechtop. “Verdomme.” Hij voelde zich machteloos, en de wanhoop sloeg opnieuw toe. Hij keek op de wekker. Half vier. Het was pas een half uur geleden dat hij de laatste rook van zijn joint had uitgeblazen. Nog vier uur, en zijn gastvrouw zou wakker worden. Hij twijfelde wat hij zou doen: wakker blijven of toch proberen te slapen.
Hij ging in kleermakerszit zitten, legde het hoofdkussen op zijn schoot en liet zijn hoofd hangen. “Dit wordt niks,” dacht hij, terwijl hij probeerde zijn bovenlichaam te ontspannen. Hij besloot achterover te gaan hangen. Dat was beter. Hij viel weer in slaap.
Opnieuw werd hij gewekt. Zijn knieën deden pijn. “Dat was te verwachten natuurlijk,” dacht hij. Voorzichtig strekte hij zijn benen, en even later stond hij op. Hij deed het kleine bureaulampje aan en keek om zich heen. Op het bed waar hij uit opgestaan lag een klein donker hoopje, aan het voeteneind. Hij stapte terug het bed in, voorzichtig. Het hoopje bewoog niet. Hij ging liggen, met zijn benen gestrekt. Het hoopje bleef stil. Na een paar minuten viel hij weer in slaap. Op de klok stond dat het vijf uur was.
Toen de gastvrouw beneden kwam werd hij wakker. “Goedemorgen,” zei ze.
“Hoi.”
“Heb je goed geslapen?”
“Mwoch.” Hij keek naar het voeteneind van zijn bed. Het hoopje was weg. “Waar is die kat?,” vroeg hij.
“Ik weet niet, ze zal wel buiten zijn.” De gastvrouw keek hem aan, en haar gezicht betrok. “Nee he?”
Hij voelde zich schuldig. “Ja, sorry, ik kan er ook niks aan doen.”
Ze lachte. “Je bent een schijterd,” zei ze.
Hij knikte. “Het is altijd hetzelfde als ik bij jullie slaap, ik kan er ook niks aan doen. Ik kan gewoon niet met die beesten om gaan.”
Hij besloot om niet te zeggen in wat voor positie hij had geslapen, om haar niet in verlegenheid te brengen, maar ook omdat hij zichzelf belachelijk vond.
“Ach, zo’n ramp was het niet, ik heb gewoon geslapen hoor,” zei hij, en hij dacht aan zijn bed thuis. Hij zou die avond vroeg gaan slapen.

Categories
schrijfsels

Eigenwijs

De kat ligt lui op het gras. Ze rekt zich uit. Het namiddagse zonnetje kietelt haar witte buik.
Het meisje drukt haar sigaret uit met een vies gezicht. Het is vast haar eerste. Verboden door haar ouders, want het is ongezond, en bovendien is ze nog jong. Ze pakt de leiband en staat op. Ze kijkt naar de kat en zegt “Kom”. De kat reageert niet.
“Lula, kom,” zegt het meisje weer. Geen reactie.
“Nou, ik ga hoor,” zegt het meisje. Ze loopt weg. De leiband spant zich aan. Het meisje stopt en draait zich om. “Lulaaaa.”
De kat reageert geheel niet. Ze rekt zich nog eens uit en draait zich om. Het meisje trekt aan het koord. “Lulaaaaa! Kom op nou! Sta op.”
Geen reactie. Dan begint het meisje weer te lopen. De leiband staat strak maar het meisje loopt door. Lula wordt meegesleept. Het meisje stopt weer. “Kom je nou mee of niet?” De kat blijft rustig liggen.
“Dan moet je het zelf maar weten,” zegt het meisje, en ze loopt verder, de kat achter zich aan slepend.
Het is een komisch gezicht. Lula maakt geheel geen aanstalten op te staan en mee te gaan. Ze laat zich rustig voortslepen, van het gras af de stoep op. Het meisje stopt weer.
“Lulaaaaaaaaa! Verdomme, kom nou mee, kutbeest!” Ze stampt op de grond. Lula blijft liggen. Het meisje kijkt om zich heen, haalt dan een pakje sigaretten uit haar heuptasje. Ze haalt er een sigaret uit, kijkt weer om zich heen, en dan naar de sigaret. Even blijft ze zo staan, aslof ze aan het denken is. Dan stopt ze de sigaret weer terug, en het pakje terug in haar heuptasje. Ze kijkt weer naar Lula. “Kutkat.”
Ze loopt weer door, het plein over. Lula verzet zich nu maar kan niet tegenhouden dat ze gewoon wordt meegesleept. Ze geeft haar verzet op en gaat er weer bij liggen. Ze zijn nu halverwege het pleintje. Het meisje stopt weer en loopt dan terug naar de kat. Ze aait het beest over haar buik. Lula kronkelt.
“Zo, en nu gaan we. Kom op, opstaan,” spreekt het meisje Lula toe. Maar Lula blijft liggen. Onverstoorbaar. Het meisje loopt weer door, en zodra het koord weer gespannen is sleept ze Lula weer achter zich aan. Taki, de eigenaar van het Griekse restaurant dat aan het plein is gevestigd, komt aangelopen.
“Wat is er? Wil ‘ie niet mee?” vraagt hij aan het meisje.
“Het is een zij,” zegt ze, “en nee, ze wil niet mee. Dat zie je toch?”
Taki loopt naar Lula en aait haar over haar buikje. Dan pakt hij de halsband beet en tilt het beest op. “Kijk,” zegt hij, “zo doe je dat.”
“Laat los,” zegt het meisje. Hij laat Lula vallen. Die gaat er meteen weer bij liggen. Een andere man komt aangelopen uit Taki’s restaurant.
“Zo, wil ‘ie niet mee?”
“Het is een zij,” zegt Taki met een hoog stemmetje, en lacht dan hard. Het gezicht van het meisje betrekt. De tweede man loopt naar de kat en geeft haar een tikje met zijn voet.
“Sta ‘es op,” zegt hij. “Hé, gek beest, opstaan.” Lula blijft liggen.
Het meisje kijkt Taki met een koele blik aan. “Als ze niet naar mij luistert, denk je dat ze dan wel doet wat jij zegt?”
“Bijdehandje,” zegt Taki. Hij haalt een pakje sigaretten uit zijn borstzak en biedt de andere man er een aan. “Peukie?”
De man neemt een sigaret en graait in zijn broekzakken, op zoek naar een aansteker.
“Jij?” zegt Taki terwijl hij het meisje het pakje voor de neus houdt.
“Ik ben pas twaalf hoor,” zegt ze.
Taki grijnst. “Weet ik toch schatje,” zegt hij.
De andere man begint bulderend te lachen.
Het meisje pakt Lula op, neemt haar in haar armen en loopt weg.
“Doe-doeiii Dikkie Dik,” roept Taki haar na. “Tot de volgende keer maar weer!”

Categories
schrijfsels

Donadoni

We zaten bij Schuim. Ik had een hekel aan Schuim. Ballentent. Patjepeërs. Mannen met dure spijkerbroeken en instapschoenen. Colbertje. Wit overhemd in de broek, brede lederen riem met groteske gespen. Rayban op hun net iets te bruine gezicht. Grolsch in de hand, en maar hard praten in de hoop dat de anderen zouden horen hoe grappig en/of cool ze wel niet zijn. Helaas waren die anderen net zo hard met zichzelf bezig als zijzelf, dus de kans dat zij de boodschap zouden ontvangen was minimaal. Schuim. Wat een klotetent. En dan zat het ook nog waar vroeger De Muur zat.

De Muur. Dat was nog eens een goeie tent. Maar ja, krakershol. Dat mag niet in de grote stad A. Stel je voor.

Waar was ik?
Schuim. Ja.
We zaten buiten. Bas vond dat we iets moesten gaan drinken bij Schuim, “omdat we hier nu toch langs lopen, en verder is er weinig open”. Daar had hij wel gelijk in. Dus zaten we buiten aan de tafel. Het was een warme avond. Vakantiegevoel. In Zweden was het Europees voetbalkampioenschap gaande. Na het vorige in het door onze jongens flink de oren gewassen Duitsland waren de verwachtingen hoog gespannen, maar ook weer niet zó hoog. Italië lag nog vers in het geheugen. We spraken over voetbal. We waren toch in Schuim, ook al was het dan buiten. Konden we net zo goed ook over voetbal praten.
Een oude man kwam aangelopen. Bas trok een vies gezicht.
“Heb ik weer”, mompelde hij.
“Wat dan?”
“Let maar op, hij gaat me aanspreken. Die gasten moeten mij altijd hebben.”
De man liep recht op Bas af. Hoewel hij nog een meter of vijf van ons verwijderd was, was zijn kegel al gearriveerd. Toen hij vlak voor Bas stond was de alcohollucht bijna verstikkend.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal”, zei hij met dikke tong. Er zaten kraters in zijn glimmende rode neus. Zijn ogen leken uit louter water te bestaan.
“Ah joh, rot op.” Altijd even vriendelijk, Bas.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
Ik had zin in een verhaal. “Geef de man een bier.”
Bas keek me aan met gefronste wenkbrauwen.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
Bas stond op en liep het café binnen.
“Voor mij een cola”, riep ik. En tegen de man: “Gaat u zitten, meneer.”
Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen.
“Geef me een bier…”
“… en ik vertel je een verhaal, ja ja.” Leviticus had waarschijnlijk geen rekening gehouden met doordrammende dronken grijze haren.
De oude man keek me aan. Denk ik.
“D-dzónadoni!”
“Pardon?”
“Dzzzónadoni! Dzzó…nedoni.” Hij schommelde heen en weer in zijn stoel. “Een verhaal! Een verhaal. Voor een bier.”
Bas kwam aangelopen met twee glazen bier en een glas cola. Hij zette ze op de tafel. “Zo ouwe, kom maar op met je verhaal”, zei hij terwijl hij ging zitten. “Nu wil ik het horen ook.”
“Bier! Bier! Ik vertel je een verhaal”, zei de grijsaard. Hij zette het glas aan zijn mond en begon gulzig te drinken. Hij dronk het glas half leeg. Hij zette het terug op tafel en maakte een smakkend geluid. Hij keek Bas aan, en daarna mij.
“Dzonadoni. Italië. Dzonadoni.”
“Donadoni?”, vroeg Bas.
“JA! Je kent hem! Dzónadoni! Een gewéldenaar, dat is-ie! Dzonadoni!”
Roberto Donadoni, speler van AC Milan in die tijd. Goede voetballer.
De oude man riep nog een paar keer zijn naam. Bas werd ongeduldig.
“Waar blijft dat verhaal van je nou, man?”
De man keek hem aan. “Zjij… zjij.” Hij keek naar mij met iets dat op een samenzweerderige blik leek. “Hij… beetje ongeduldig… he?”
Ik moest lachen en zei ja.
De man keek weer naar Bas. “Zjij… zje moet niet zo ongedzuldig zzijn, maatze. Znie goed voor je. Kijk naar mij. Ik was ongedzuldig. En nu?”
“Nu ben je een vieze ouwe vent die mensen bier aftroggelt in ruil voor een zogenaamd verhaal, met je dronken harses”, zei Bas.
“Vveet zje? Zjij…” Hij keek weer naar mij. “Hij gaat neuken.”
“Neuken?”, vroeg ik.
“ZzzjA! HAHAHA! Hij gaat neuken. Gewéldenaar!”
Hij pakte zijn glas en dronk de rest van zijn bier op. Met een klap zette hij het glas terug, en hij richtte zich weer tot Bas.
“Neuken ga je! En nu… geef me bier!”
“Echt niet”, zei Bas. “Eerst je verhaal.”
“Eerst bier! Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
“Ga nou maar weg, ik heb er geen zin meer in. Opzouten.”
Ik keek naar Bas en zag dat hij op zijn tanden aan het bijten was. Zijn kaken gingen heen en weer.
De oude man keek hem aan, maar zei niks. Hij zuchtte diep.
“Ongedzuldig. Znie goed, maatze. Zzie vat er van mij gevorden is.” Hij stond op en waggelde van ons weg.
“Tot ziens, meneer”, riep ik. “Doet u wel voorzichtig?”
Hij draaide zich om. “Dzonadoni. Geweldenaar!” Daarna liep hij verder. Hij ging de hoek om in de richting van de Dam.
“Dzonadoni!”, galmde het in de verte.

Categories
schrijfsels

Naast de fiets (1)

Het was doodstil aan de Nassaukade. Er stond een wat klam briesje dat zwaar weer voorspelde en het was donker. Behalve het gebruikelijke geruis op de achtergrond uit de richting van de A10 verstoorde niets de rust. In een portiek stond een man te turen richting de brug over de Singel. Hij keek naar een man die naast zijn fiets stond. Hij stond er wat vreemd bij, voorovergebogen over zijn rijwiel. Hij schommelde vervaarlijk heen en weer maar viel niet, het was alsof man en fiets elkaar in balans hielden.
“Eigenlijk kan dat niet,” dacht de man in het portiek bij zichzelf. “De fiets staat los en de man staat los, het evenwicht is niet werkelijk.”
Toch bleef de man met de fiets staan, schommelend en wel. Er kwam geen geluid over zijn lippen, hij stond daar maar.
De man in het portiek bleef kijken. “Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat-ie omver dondert,” sprak de man zachtjes voor zich uit. Hij was in dubio of hij de man met de fiets zou helpen als hij uiteindelijk toch om zou vallen. Hij hoopte dat hij zou vallen, maar aan de andere kant voelde hij zich op dat moment al schuldig over het feit dat hij zou weglopen als het gebeurde, in plaats van de man te helpen. De man met de fiets schommelde steeds heviger.
“Ladderzat”, zei de man in het portiek weer tegen zichzelf. Hij keek naar de deur van het portiek waar hij in stond. “Als ze me maar niet horen.”
Plots hield de man met de fiets op met schommelen. Hij richtte zich op en keek naar boven. De man in het portiek zette een stapje terug, verder het portiek in, ook al stond de man met de fiets met zijn rug naar hem toe en kon hij hem niet zien. Hij keek ook omhoog, naar de bewolkte hemel.
“Hij ziet sterretjes,” zei hij zachtjes, en hij gniffelde om zijn eigen kleine grapje. Hij keek weer terug naar de man met de fiets. Die zette een wankele stap, en nog een, en daarna nog een. Toen stond hij stil en boog zich weer over zijn fiets. Hij schommelde opnieuw wild maar viel nog steeds niet.
“Val dan verdomme,” fluisterde de man in het portiek, en hij dacht aan een strip die hij ooit gelezen had over een geconstipeerde jongen die op een openbare wc zat en tegen zijn drol riep dat-ie op moest schieten. Op het eind van de strip had zich een mensenmassa verzameld rond de wc, en uit de massa stak een spandoek met de woorden “Kom dan verdomme”. De man in het portiek lachte zachtjes.
“Het zou toch mooi zijn als hier een menigte zou staan die de man met de fiets toeriep dat-ie moest vallen.”
Maar de man met de fiets richtte zich weer op en wankelde weer verder. Het zag er naar uit dat de val niet zou komen, en de man in het portiek besloot dat het mooi geweest was. Hij maakte aanstalten om het portiek uit te komen en zijn weg te vervolgen, toen de man met de fiets plots weer tot stilstand kwam.
“Wat sta je nou te kijken man,” riep hij ineens.
De man in het portiek schrok zich wezenloos en verstopte zich.
“Wat sta je nou te kijken man!”
Daarna was het weer stil. Na een tweetal minuten durfde de man in het portiek voorzichtig zijn hoofd om het hoekje te steken. De man met de fiets was al verbazingwekkend ver weg.
De man in het portiek zuchtte diep.
“Wat een lul”, zei hij hardop.