De lift 1

Home   /   De lift 1

Ik liep naar de onofficiële liftplaats bij de stoplichten op de President Kennedylaan. De echte liftplaats was de Utrechtsebrug over en ik had even geen zin om zo ver te lopen. Er stonden al een aantal lifters, dus in gedachten maakte ik toch de gang al naar de Utrechtsebrug. Eerst even proberen.
“Sta je hier al lang?,” vroeg ik de jongen met het bordje “Antwerpen” in zijn hand.
“Een paar uur,” antwoordde hij met Vlaamse tongval. De moed zonk me in de schoenen. Ik moest naar Breda, dezelfde richting dus als de Vlaming. Ik liep een eindje van hem vandaan en zette mijn tas neer. Ik haalde mijn karton met “Breda” erop uit de tas en keek op, recht in het gezicht van een dikke man met een mullet en gouden ringen in beide oren. Hij keek me guitig aan, zijn linkerarm losjes hangend uit het raampje van zijn witte Mercedes 500SEC. Naast hem zat een zonnebankbruine man met kort gepermanent haar en een bruine bontjas.
“Zo jongen, moet jij naar Breda?,” klonk het in vet Amsterdams.
“Dat heeft u goed gelezen, ja,” zei ik, me voorbereidend op een spervuur aan flauwe grappen, nog effe snel voor het stoplicht op groen ging.
“Na, stap maar in dan.”
Ik kon mijn oren niet geloven. Nog geen minuut had het geduurd om een lift te krijgen. De Vlaming kwam aangespurt. “Hee, ik moet naar Antwerpen, kan ik niet mee tot aan Breda?”
De dikke bekeek hem van top tot teen. “Ben jij een Belg?”
“J-ja,” stotterde de Vlaming.
“Da’s nou jammer.”
“M-maar…”
“Groen!,” riep de dikke en hij gaf volgas. Ik keek achterom en zag dat de jongen ons vertwijfeld nakeek, zijn beide armen in de lucht. De bruine bontjas keek ook. Een vette lach klonk. “Duizend bommen en granaten!,” riep hij. “Gekke Belgen, die moet ik niet in m’n auto hoor.” Hij knipoogde naar me. “Hoe heet jij?”
“Dave.”
“Zo, hallo Dave. Ik ben Rinus, en hij hier heet Hannes.”
Ik lachte, denkend dat hij een geintje maakte. De twee leken uit een slecht toneelstuk van het Theater van de Lach weggelopen met hun potsierlijke kledij en met goud behangen lichamen. De namen Rinus en Hannes moesten haast wel verzonnen zijn. Maar Rinus lachte niet. “Valt er iets te lachen?”
Ik haastte me om nee te zeggen, en de bontjas draaide zich weer om.
“Wat ga je doen in Breda?,” vroeg Hannes.
Ik had afgesproken met een vriendin die mij wilde gebruiken voor een fotostudie, dus ik zei dat ik naar een afspraak moest.
“Met een wijf? Ga je met een wijffie afspreken?” Weer die vette lach, en ik lachte maar wat mee. “Wat voor kleur haar heeft ze?”
“Rood,” zei ik, en de twee begonnen te joelen.
“Wooooo! Hij heeft een afspraak met een rooie! Nou dan weet ik wel wat jij gaat doen jongen!”
Ik kon niet geloven dat ik met twee zigeuners in een witte Mercedes 500 SE Coupé met 170 kilometer per uur over de A2 scheurde, terwijl mijn gastheren de ene na de andere cliché-oneliner eruit gooiden.
“Hij gaat neuken, hahahaaaaaa!,” riep Rinus.
“Hee, even serieus,” zei Hannes. “Je weet wat ze zeggen over roodharige wijven he. Ik zou maar oppassen als ik jou was, zo’n jong broekie.” Hij keek me met pretoogjes aan in zijn achteruitkijkspiegel.
Intussen pakte Rinus een krant tevoorschijn. Het was de Telegraaf, en hij sloeg de pagina open waar altijd rechtszaken behandeld werden, met een tekening erbij van de verdachte. De verdachte kwam me bekend voor. Ik boog voorover om beter te kunnen kijken, toen Rinus uitriep: “Heee! Goran staat in de krant!”
Het was inderdaad Goran, een Joego gangster die vroeger met mijn tante getrouwd was geweest.
“Hahaaa! Die Goran. Eindelijk beroemd.” De twee gilden van het lachen, en ik ook. Ik was in een klucht terechtgekomen. Rinus draaide zich om. “Wat lach jij nou?”
“Nou, eh, ik ken Goran ook.”
Hannes keek me weer aan via zijn spiegel. “Oh ja joh? Hoe dan?”
“Hij was vroeger getrouwd met mijn tante.”
“Hoe heet je tante dan?”
“Patricia.”
Rinus en Hannes keken elkaar aan. “Teeeeering! Ben jij familie van Patries? Niet te geloven! Dus Goran was je oom? Haha, lekkere familie heb jij.” Rinus schaterde. “Hoe gaat het met ‘r? Het is zeker vijftien jaar geleden dat ik die gezien heb. Dat was een wilde, hoor.”
“Het gaat wel goed met haar. Ze woont weer in Belgrado.”
“Ja natuurlijk, die kan niet zonder die Joego’s. Ik wed dat ze…” Rinus stopte omdat Hannes hem aanstootte. Ik besloot er niet naar te vragen, en wees op het artikel. “Wat heeft hij gedaan?”
“Hij zal wel weer een partijtje pillen hebben gesmokkeld,” zei Hannes. “Of wapens.” Nu was het Rinus die Hannes een por gaf. Hannes keek me aan. “Da’s een slechte hoor, die oom van jou.”
“Ik weet het,” zei ik.
Plots klonk er een luide knal, en de auto begon te slingeren. Mijn hart zat in mijn keel en Hannes vloekte hartgrondig. In een paar seconden bracht hij de auto tot stilstand op een niet al te gunstige plaats, aan het einde van een oprit. De auto’s raasden langs ons heen, en Rinus stapte uit. Hij liep naar achteren en kwam weer terug. Door het raampje zei hij dat we een klapband hadden.
“Godverdegodverdegod.” Hannes keek achterom om te zien of het veilig was om uit te stappen, maar het was spitsuur en het verkeer hield niet op. Hij wurmde zijn grote lijf naar de passagierskant en stapte uit. Ik ging ook. De twee stonden voorovergebogen over de kofferbak, op zoek naar een moersleutel. De krik lag al naast de auto. Ik keek mee, maar Hannes keek op. “Wat doe jij?”
“Kijken of ik kan helpen,” zei ik.
“Jij gaat lekker in de auto zitten. Hier, rook een saffie.” Hij hield me een pakje Davidoff voor. “Hier heb jij niks te zoeken. Wij handelen het wel af.”
Ik nam een sigaret, liep naar de voorkant van de auto en ging zitten op de vangrail. Waar was ik in godsnaam in beland?

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories