Naast de fiets (1)

Home   /   Naast de fiets (1)

Het was doodstil aan de Nassaukade. Er stond een wat klam briesje dat zwaar weer voorspelde en het was donker. Behalve het gebruikelijke geruis op de achtergrond uit de richting van de A10 verstoorde niets de rust. In een portiek stond een man te turen richting de brug over de Singel. Hij keek naar een man die naast zijn fiets stond. Hij stond er wat vreemd bij, voorovergebogen over zijn rijwiel. Hij schommelde vervaarlijk heen en weer maar viel niet, het was alsof man en fiets elkaar in balans hielden.
“Eigenlijk kan dat niet,” dacht de man in het portiek bij zichzelf. “De fiets staat los en de man staat los, het evenwicht is niet werkelijk.”
Toch bleef de man met de fiets staan, schommelend en wel. Er kwam geen geluid over zijn lippen, hij stond daar maar.
De man in het portiek bleef kijken. “Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat-ie omver dondert,” sprak de man zachtjes voor zich uit. Hij was in dubio of hij de man met de fiets zou helpen als hij uiteindelijk toch om zou vallen. Hij hoopte dat hij zou vallen, maar aan de andere kant voelde hij zich op dat moment al schuldig over het feit dat hij zou weglopen als het gebeurde, in plaats van de man te helpen. De man met de fiets schommelde steeds heviger.
“Ladderzat”, zei de man in het portiek weer tegen zichzelf. Hij keek naar de deur van het portiek waar hij in stond. “Als ze me maar niet horen.”
Plots hield de man met de fiets op met schommelen. Hij richtte zich op en keek naar boven. De man in het portiek zette een stapje terug, verder het portiek in, ook al stond de man met de fiets met zijn rug naar hem toe en kon hij hem niet zien. Hij keek ook omhoog, naar de bewolkte hemel.
“Hij ziet sterretjes,” zei hij zachtjes, en hij gniffelde om zijn eigen kleine grapje. Hij keek weer terug naar de man met de fiets. Die zette een wankele stap, en nog een, en daarna nog een. Toen stond hij stil en boog zich weer over zijn fiets. Hij schommelde opnieuw wild maar viel nog steeds niet.
“Val dan verdomme,” fluisterde de man in het portiek, en hij dacht aan een strip die hij ooit gelezen had over een geconstipeerde jongen die op een openbare wc zat en tegen zijn drol riep dat-ie op moest schieten. Op het eind van de strip had zich een mensenmassa verzameld rond de wc, en uit de massa stak een spandoek met de woorden “Kom dan verdomme”. De man in het portiek lachte zachtjes.
“Het zou toch mooi zijn als hier een menigte zou staan die de man met de fiets toeriep dat-ie moest vallen.”
Maar de man met de fiets richtte zich weer op en wankelde weer verder. Het zag er naar uit dat de val niet zou komen, en de man in het portiek besloot dat het mooi geweest was. Hij maakte aanstalten om het portiek uit te komen en zijn weg te vervolgen, toen de man met de fiets plots weer tot stilstand kwam.
“Wat sta je nou te kijken man,” riep hij ineens.
De man in het portiek schrok zich wezenloos en verstopte zich.
“Wat sta je nou te kijken man!”
Daarna was het weer stil. Na een tweetal minuten durfde de man in het portiek voorzichtig zijn hoofd om het hoekje te steken. De man met de fiets was al verbazingwekkend ver weg.
De man in het portiek zuchtte diep.
“Wat een lul”, zei hij hardop.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories