Moordenaar met worst

Home   /   Moordenaar met worst

Het is stil. We lopen gestaag door over de geasfalteerde polderweg, onder een strakblauwe hemel. De bomen langs de kant van de weg ruisen zacht en in de verte klinkt het constante gesuis van een snelweg. Gert-Jan vraagt me iets maar ik luister niet. Ik wil nog even genieten. Hij herhaalt zijn vraag niet, en ik vraag hem niet wat hij me vroeg.
Als we de weg oversteken om meer zon te vangen wordt er getoeterd. Ik kijk om en zie een rood invalidenautootje. Er zit een mooie vrouw in, van een jaar of 25, 26, schat ik. Ze ontwijkt ons op het nippertje, terwijl ze ons wel gezien moet hebben – ze kijkt niet tegen de zon in.
“Stinkhoer!”, roept Gert-Jan haar na. Het autootje stopt, en de vrouw stapt uit. Ze heeft een schoen met een grote steunzool, en een andere met een naaldhak. Het ziet er belachelijk uit. Ze trekt de naaldgehakte schoen uit en gooit die in mijn richting. Hij komt een halve meter voor mij op de grond terecht. Gert-Jan staat achter me en roept.
“Laat je dat toe? Pak haar! Pak haar!”
Inwendig kook ik plots van woede, maar ik probeer mijn gezicht in plooi te houden. Ik stap naar voren, raap de schoen op en loop op haar af. Plots gaat alles in slow motion. De vrouw draait zich om en maakt aanstalten om terug in haar autootje te stappen. Ik wil haar doodmaken. Ik gooi de schoen tegen haar rug – ze valt voorover. Als ik bij haar kom draait ze zich op haar rug, en ik zet mijn voet op haar keel. Ik druk door. In haar ogen zie ik ongeloof, ze heeft haar mond geopend maar er komt geen geluid uit. Ik voel het kraken onder mijn zool. Gert-Jan springt als een gek op en neer en van links naar rechts. Hij kijkt opgewonden als een kind dat fikkie steekt en het lijkt alsof hij schreeuwt, maar ik hoor niets. Ik trap alleen maar door. Het lichaam van de vrouw ligt nu stil, haar rechtervoet is gestopt met trillen.
Gert-Jan kijkt me aan. Hij lacht en steekt zijn arm in de lucht, voor een high five.
“We moeten hier weg.” Ik zeg het nog een keer, dan rennen we het weiland in. Ik weet niet hoe lang we rennen. We komen bij een bos en we blijven rennen. Dan komen we aan bij een meer waar mensen zitten te picknicken. Er zijn kinderen aan het spelen met een hondje dat opgewonden met ons mee begint te rennen en naar ons keft. We moeten ons verschuilen en beginnen, zonder iets te zeggen, tegelijkertijd kriskras over het veld het eten uit de manden van de picknickende mensen te pakken. We rennen en springen over ze heen en proberen worsten mee te graaien.
Ik stop en kijk naar Gert-Jan. Als hij mijn blik vangt gebaar ik dat we terug het bos in moeten. We rennen nog een tijdje door totdat we bij een soort hut aankomen. Ik ga op een boomstronk zitten en haal de worsten uit mijn zakken, leg ze voor me op de grond, netjes naast elkaar. Gert-Jan doet hetzelfde. We hebben bij elkaar 26 worsten gejat en ik heb een invalide vrouw vermoord.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories