Donadoni

Home   /   Donadoni

We zaten bij Schuim. Ik had een hekel aan Schuim. Ballentent. Patjepeërs. Mannen met dure spijkerbroeken en instapschoenen. Colbertje. Wit overhemd in de broek, brede lederen riem met groteske gespen. Rayban op hun net iets te bruine gezicht. Grolsch in de hand, en maar hard praten in de hoop dat de anderen zouden horen hoe grappig en/of cool ze wel niet zijn. Helaas waren die anderen net zo hard met zichzelf bezig als zijzelf, dus de kans dat zij de boodschap zouden ontvangen was minimaal. Schuim. Wat een klotetent. En dan zat het ook nog waar vroeger De Muur zat.

De Muur. Dat was nog eens een goeie tent. Maar ja, krakershol. Dat mag niet in de grote stad A. Stel je voor.

Waar was ik?
Schuim. Ja.
We zaten buiten. Bas vond dat we iets moesten gaan drinken bij Schuim, “omdat we hier nu toch langs lopen, en verder is er weinig open”. Daar had hij wel gelijk in. Dus zaten we buiten aan de tafel. Het was een warme avond. Vakantiegevoel. In Zweden was het Europees voetbalkampioenschap gaande. Na het vorige in het door onze jongens flink de oren gewassen Duitsland waren de verwachtingen hoog gespannen, maar ook weer niet zó hoog. Italië lag nog vers in het geheugen. We spraken over voetbal. We waren toch in Schuim, ook al was het dan buiten. Konden we net zo goed ook over voetbal praten.
Een oude man kwam aangelopen. Bas trok een vies gezicht.
“Heb ik weer”, mompelde hij.
“Wat dan?”
“Let maar op, hij gaat me aanspreken. Die gasten moeten mij altijd hebben.”
De man liep recht op Bas af. Hoewel hij nog een meter of vijf van ons verwijderd was, was zijn kegel al gearriveerd. Toen hij vlak voor Bas stond was de alcohollucht bijna verstikkend.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal”, zei hij met dikke tong. Er zaten kraters in zijn glimmende rode neus. Zijn ogen leken uit louter water te bestaan.
“Ah joh, rot op.” Altijd even vriendelijk, Bas.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
Ik had zin in een verhaal. “Geef de man een bier.”
Bas keek me aan met gefronste wenkbrauwen.
“Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
Bas stond op en liep het café binnen.
“Voor mij een cola”, riep ik. En tegen de man: “Gaat u zitten, meneer.”
Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen.
“Geef me een bier…”
“… en ik vertel je een verhaal, ja ja.” Leviticus had waarschijnlijk geen rekening gehouden met doordrammende dronken grijze haren.
De oude man keek me aan. Denk ik.
“D-dzónadoni!”
“Pardon?”
“Dzzzónadoni! Dzzó…nedoni.” Hij schommelde heen en weer in zijn stoel. “Een verhaal! Een verhaal. Voor een bier.”
Bas kwam aangelopen met twee glazen bier en een glas cola. Hij zette ze op de tafel. “Zo ouwe, kom maar op met je verhaal”, zei hij terwijl hij ging zitten. “Nu wil ik het horen ook.”
“Bier! Bier! Ik vertel je een verhaal”, zei de grijsaard. Hij zette het glas aan zijn mond en begon gulzig te drinken. Hij dronk het glas half leeg. Hij zette het terug op tafel en maakte een smakkend geluid. Hij keek Bas aan, en daarna mij.
“Dzonadoni. Italië. Dzonadoni.”
“Donadoni?”, vroeg Bas.
“JA! Je kent hem! Dzónadoni! Een gewéldenaar, dat is-ie! Dzonadoni!”
Roberto Donadoni, speler van AC Milan in die tijd. Goede voetballer.
De oude man riep nog een paar keer zijn naam. Bas werd ongeduldig.
“Waar blijft dat verhaal van je nou, man?”
De man keek hem aan. “Zjij… zjij.” Hij keek naar mij met iets dat op een samenzweerderige blik leek. “Hij… beetje ongeduldig… he?”
Ik moest lachen en zei ja.
De man keek weer naar Bas. “Zjij… zje moet niet zo ongedzuldig zzijn, maatze. Znie goed voor je. Kijk naar mij. Ik was ongedzuldig. En nu?”
“Nu ben je een vieze ouwe vent die mensen bier aftroggelt in ruil voor een zogenaamd verhaal, met je dronken harses”, zei Bas.
“Vveet zje? Zjij…” Hij keek weer naar mij. “Hij gaat neuken.”
“Neuken?”, vroeg ik.
“ZzzjA! HAHAHA! Hij gaat neuken. Gewéldenaar!”
Hij pakte zijn glas en dronk de rest van zijn bier op. Met een klap zette hij het glas terug, en hij richtte zich weer tot Bas.
“Neuken ga je! En nu… geef me bier!”
“Echt niet”, zei Bas. “Eerst je verhaal.”
“Eerst bier! Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal.”
“Ga nou maar weg, ik heb er geen zin meer in. Opzouten.”
Ik keek naar Bas en zag dat hij op zijn tanden aan het bijten was. Zijn kaken gingen heen en weer.
De oude man keek hem aan, maar zei niks. Hij zuchtte diep.
“Ongedzuldig. Znie goed, maatze. Zzie vat er van mij gevorden is.” Hij stond op en waggelde van ons weg.
“Tot ziens, meneer”, riep ik. “Doet u wel voorzichtig?”
Hij draaide zich om. “Dzonadoni. Geweldenaar!” Daarna liep hij verder. Hij ging de hoek om in de richting van de Dam.
“Dzonadoni!”, galmde het in de verte.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories