Categories
schrijfsels

Overpeinzingen op reis deel 1

15 April 1992
We zitten nu in de bus van Amsterdam naar Barcelona. Ik schat dat het een uur of 4 ‘s middags is. Curieus, hoe ik ieder benul van tijd kwijtraak telkens als ik een reis maak die langer duurt dan een paar uur.

Het regent constant, en op de busvideo wordt een slechte film vertoond, ‘King Solomon’s Mines’, die ook nog in het Spaans nagesynchroniseerd is. Bij nagesynchroniseerde films, tenminste die in het Spaans, klinken de gesprekken vaak alsof er ruzie gemaakt wordt, en, zoals nu, een gewoon bad klinkt alsof de nasynchronisatiemevrouwen en -meneren elkaar oraal liggen te bevredigen, om maar vooral duidelijk over te brengen dat het heerlijk badderen is.

Tot nu toe verloopt de reis vrij voorspoedig; we zijn Parijs tot op zo’n 100 km. genaderd. Echt slapen komt er niet van. Ik zie niets door de beslagen ruiten. Kutregen.

Ik mijmer wat voor me uit. Wat zal de toekomst brengen? En in het bijzonder, de komende drie weken? Morgen komen we in Barcelonaaan, en dan moet ik nog maar zien of we X., met wie we afgesproken hebben dat we in zijn flat kunnen slapen, kunnen ontmoeten. Hij weet niet waar en wanneer we aankomen, en op zijn werk kan ik ‘m niet bereiken, want morgen is fiesta, als in feestdag, want Witte Donderdag.

Ah, die kutfilm is afgelopen. Benieuwd wat Cinema Iberbús ons nu zal voorschotelen.

Mijn hoofd ratelt door.

E. Gisteravond was geslaagd te noemen. Ik vind haar wel erg leuk. Ze is mooi en lief. Ik ken haar eigenlijk nauwelijks. Ik hoop dat ze het bandje leuk vindt.

Wat een saaie reis. De regen is opgehouden. G. hangt naast mij in zijn stoel te slapen. Rechts van mij zit een Spaanse vrouw, wier geur mij wat dierlijk voorkwam, toen ze binnenstapte. Ze werd gebracht door haar dochter, in Brussel. Ze heeft drie woorden tegen me gesproken, in het Frans, toen ik bijna m’n kop stootte tegen de monitor. “Attention, ta tête!” Ik bedankte haar in het Spaans.

Naast haar zit een Nederlandse jongen, die bij het instappen 90 piek op tafel moest leggen, omdat de datum op z’n ticket niet klopte. Hij schopte een enorme ruzie met de dame van Iberbús en het kwam bijna tot een knokpartijtje met een van de chauffeurs.
Een opwindend moment.
Later stapte hij in en vroeg de chauffeur in krom Spaans om vergiffenis. Of hij die 90 ballen nou betaald heeft weet ik niet. Ik heb niet de behoefte hem dat te vragen.

Achter ons zitten twee Franssprekende dames, en daar weer schuin achter een Nederlandse jongen en een Spaanse oude man. De laatste zit constant te ouwehoeren. De jongen kijkt chagrijnig voor zich uit. “Sí…sí.”

Ik weet niet goed waar we zijn. In ieder geval voorbij Parijs. Ik ben in de file op de Péripherique in slaap gevallen en toen ik wakker werd waren we op 417 km. van Lyon. De jongen naast de Spaanse oude man kijkt nog steeds chagrijnig. Misschien is hij wel gewoon een beetje verzuurd.

Hoe laat het nu is mag joost weten. Heb net geslapen en ben wakker geworden door de fantastische muziek die de chauffeurs door de disco knallen. Ik moet enorm naar de plee en heb nu wel zin om even de beentjes te strekken. Volgens mijn berekeningen, en nog meer volgens de borden, moeten we nu ergens bij Dijon zijn.

We zijn nu onderweg in de donkere avond van midden-Frankrijk. Het is ongeveer kwart voor 10 en het is aardedonker buiten. De maan verliest het vanavond van de wolkjes, vrees ik.

We hebben net gegeten. Het was goed te doen, en in ieder geval beter te betalen dan bij de Belgen waar we vanmiddag aten. Er staat een film op, “The Man and the Island” (*) of zoiets, naar een boek van Hemingway. Ik zie er weinig van, omdat ik zo ongeveer onder de monitor zit. Kan me toch niet concentreren, omdat de nachtelijke snelweg mij teveel intrigeert. Net als vroeger, als ik met m’n ouders naar Salobre reed.

Salobre. Het is al elf jaar geleden dat ik daar was. Ik weet me nog wel wat dingen te herinneren, dat het altijd zo vreselijk warm was en stil. Spelend de berg op en neer hollen. Vogeltjes schieten met de windbuks van neef J. Het verre nichtje M. uit Valencia. Ze was niet bijzonder knap, maar ik vond het altijd reuzespannend om bij haar in de buurt te zijn. Een beetje té spannend, misschien wel.

Ik sprak toen nog geen woord Spaans. Door een speling van het lot, zo noem ik dat dan, spreek ik het nu vloeiend. Ik verlang naar Spanje. Misschien, als het mogelijk is, gaan we nog naar Salobre, om opa en oma op te zoeken.

Ik vraag me af hoe het met ze is. Ze schijnen nog altijd naar ons te vragen als papa ze belt. Vreemd vond ik dat, om te horen. Om de een of andere reden heb ik altijd gedacht dat ze alleen naar D., mijn jongste broertje vroegen. E. en ik zijn immers niet hun bloedverwanten, en bovendien heb ik het idee dat ze het maar niks vonden (vooral oma dan), hun zoon met een gescheiden vrouw met kinderen. Katholieken.

Ik merk aan m’n oren dat we snel dalen nu. De nacht wordt nog lang.
(*) bedoeld wordt “The Old Man and the Sea”