Mijn dagen bij de foebal

Home   /   Mijn dagen bij de foebal

Na lang aandringen mocht ik van mijn moeder dan toch nog op voetballen. Ik was tien jaar en ik kon mijn geluk niet op. Vier jaar judo had ik doorstaan, op bevel van diezelfde moeder. “Judo is goed voor je karakter”, zei ze altijd.

Ik haatte judo. Iedere dinsdagavond in De Gong kreeg ik les van een man die wel aardig was, maar een beetje tactloos. Opa Vic was doodgegaan op 20 maart 1978, een maandag. De volgende dag moest ik judoën.
“Ga toch maar”, zei moeder, “dan ben je een beetje afgeleid.”

Ik had nog helemaal niet gehuild, kon het niet. Ik had wel gedaan alsof, toen maandagochtend aan het ontbijt het telefoontje kwam van oom Randy. Ik had me zo schuldig gevoeld dat ik niet met moeder en mijn broertje Eddy mee kon huilen, dus ik had mijn hoofd in mijn handen gelegd en huilgeluiden gemaakt. Ik had wel een naar gevoel in mijn buik, maandag de hele dag en dinsdag ook. ‘s Avonds bij de judo had ik niks gezegd tegen de leraar. Ik moest een oefening doen met een meisje dat drie koppen groter was dan ik, twee keer zo breed ook. Ik was bang van haar, ook al omdat ze altijd zo nors deed. Ik deed de oefening niet goed, ze werd met de seconde chagrijniger, en de knoop in mijn maag werd strakker en strakker aangetrokken. Toen ik in de houtgreep lag, mijn gezicht gesmoord in haar oksel, kwamen de tranen. Ik kon niet meer stoppen. Ze schrok en vroeg wat er was. Ik wilde niks zeggen, wendde mijn hoofd af. Ik kon sowieso niks uitbrengen, dat is nog altijd zo als ik eens een keer huil. Ze troostte me, ik weet nog dat het me enorm verbaasde en ook geruststelde. De leraar kwam aangelopen en vroeg waarom ik huilde.
“Mijn….opa…is….doohohohooooood.”
“Wanneer dan?”, Vroeg hij.
“Gisterehehehen.”
“Ah joh, dan moet je nu toch wel uitgehuild zijn.”
Dat zei hij echt! Ik kon het niet geloven. Ik stond op en rende weg, naar de kleedkamer. Aankleden en naar huis, als de sodemieter. En nooit meer terugkomen, dat nam ik me voor.
Uiteindelijk nog twee jaar doorgejudood, twee blauwe slippen gehaald, maar niet van harte.

Maar goed, voetbal dus. Mijn vriendje en buurjongen Rody van de Post zat bij Unitas. Onze buurman Peter was ook lid van die club. En dus gingen Eddy en ik ook daar voetballen, hoewel het eigenlijk de club van Leur was, en wij in Etten woonden.

In Etten-Leur bestonden destijds drie voetbalclubs [nog steeds trouwens]: SC Unitas ’30, Internos en DSE. Etten-Leur bestond, zoals de naam al zegt, uit de dorpen Etten en Leur. Leur was het oude gedeelte, het oorspronkelijke dorp. Etten was nieuwer en lag er tegenaan, en de meeste mensen die er woonden waren “import”, veel niet-Brabanders, zoals wij. Internos was de club voor de geïmporteerden. De aartsvijand van Unitas. Wat de rol van DSE was heb ik nooit kunnen achterhalen. DSE was een beetje…niets, eigenlijk. Of een ideale mix, ik weet het niet.

Het duurde een paar jaar voordat ik voor vol werd aangezien door mijn Leurse medespelers. Hoewel, nooit echt helemaal, want, afgezien van het feit dat ik geen Brabander was, af en toe moeite had om het dialect te verstaan en geen moeite deed om mijn harde g te veranderen in een zachte, zat ik ook nog eens op de KSE, een scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo, waar het gros van mijn medespelers op Don Bosco zat, de plaatselijke lts. Ik zag ze doordeweeks dus alleen maar op de training. Niet echt bevorderlijk voor de onderlinge band. Maar goed, ik had het erg naar mijn zin. Eindelijk voetballen!

De eerste jaren waren leuk, onbezorgd, u kent het wel. Meestal eindigde mijn elftal in de middenmoot, soms in het linker- en soms in het rechterrijtje. Ik was altijd wel jaloers op mijn broertje Ed, die zo ongeveer ieder jaar kampioen werd. Maar goed, ik hield van de club, de elftalleiders, en dan vooral Jack Martens (die ooit een bandje voor me opnam met Nick Cave, Lene Lovich en The The, en in Amsterdam had gestudeerd, waar hij stamgast was van een café met de welluidende naam “De Engelse Reet” in de Begijnensteeg), de tweeling Corrie en Borrie, die het hele zootje zo’n beetje bij elkaar hielden, en ook het hockeyveld naast het Unitasterrein waar mijn huidige lief Anniek speelde. Het was er gezellig.

Na een paar jaar kwam ik in het C2-elftal terecht. Ik begon geweldig aan het nieuwe seizoen, zo goed had ik nog niet eerder gevoetbald. Ik scoorde veel, en dat als linksbuiten. Het was de hoge heren ook opgevallen, en twee maanden in het seizoen werd ik gesommeerd me bij C1 te vervoegen.

C1, daar voetbalden de grote jongens. Allemaal een jaar, sommige twee, ouder dan ik, groter, sterker, stoerder en moediger ook. Ik was geïntimideerd. Het waren ruige gasten, vooral het groepje rond de tweeling Dennis en Corné (“Des” en “Kee” voor de vrienden), met daarin Erik Broers, of Broere, en een gast die Jaspers heette van achteren. Die maakten de dienst uit in het elftal. Daar hing dan weer een groepje “mindere goden” tegenaan, vervolgens een groepje met jongens die wat vriendelijker waren, en ik. De eerste paar wedstrijden gingen nog wel, maar al snel was ik zo geïntimideerd dat ik minder goed ging spelen. Ik voelde me klein vergeleken bij die jongens, ik deelde hun gevoel voor humor niet, begreep ook meestal niet waar ze het over hadden, want ze praatten allemaal erg plat. En het was ook vaak matten op het veld. Ze spuugden naar tegenstanders en naar de scheids, schopten vaker tegen benen dan tegen de bal. We verloren vaak, en dat leidde tot bekvechten op het veld, onderling, wat ik altijd als een ongelofelijk teken van zwakte heb gevonden. Ik vond het dus maar niks, ik miste de gezelligheid van C2, werd steeds ongelukkiger. Ik maakte mijn gevoelens kenbaar aan de coach van C1, Cees Luijkens heette die geloof ik. Ik vroeg hem of ik niet terug kon naar c2. Nul op het rekest, en na een paar keer vragen was het met een “je speelt in C1 of je speelt helemaal niet” afgelopen.

Intussen waren de jongens van C1 erachter gekomen dat ik liever niet met hen in één elftal speelde, dus het werd erg gezellig in de kleedkamer. Uiteindelijk speelde ik als een natte krant en werd ik toch nog teruggeschopt naar C2. Maar mijn seizoen was om zeep.

Het jaar erna werd C2 c1, en de mannen van C1 gingen over naar de B-junioren. Het seizoen ging goed, en het jaar daarop werd C1 B2. Weer een jaar later viel ons team uiteen en kwam ik bij B1 terecht. Ik zat weer bij het ruige elftal. Inmiddels was ik natuurlijk ouder en was mijn huid wat dikker, en het ging redelijk goed, hoewel de mannen nog steeds beter konden ouwehoeren en rotzooi trappen dan voetballen, met de bijbehorende gevolgen voor de stand in de competitie.
Het werd echter steeds erger met het vechten. Bijna iedere wedstrijd werd er wel iemand uit het veld gestuurd, en de lol was er voor mij compleet af. Ik besloot de club te verlaten aan het eind van het seizoen, ook al betekende dat dat ik helemaal zou moeten stoppen met voetballen, want ik had geen zin om naar omliggende dorpen als Sprundel, Hoeven of St.-Willibrord te fietsen om te kunnen voetballen, en bij Internos of DSE spelen was geen optie. Dat was zoiets als een Ajacied die bij Feyenoord gaat spelen, onvergeeflijk.

In die tijd had meneer Martens van aardrijkskunde me een keer apart genomen op school, en hi had me uitgelegd dat het zo jammer was dat een intelligente jongen als ik, iemand die op het VWO zat, tussen die LTS’ertjes van Unitas voetbalde. Meneer Martens was een hoge pief bij Internos. Met zo’n houding is het enige dat iemand bij mij kan bereiken een grote afkeer van hem of haar, en alles waar die persoon voor staat, ook toen al. Ik heb een grote hekel aan elitisme. Niet goed voor de verstandhouding tussen meneer Martens en mij dus, die lijmpoging.

Ik hield er uiteindelijk nog eerder mee op dan gepland. Het was geloof ik een wedstrijd tegen Kruisland, en een van de tweeling had een tegenstander tegen de grond gewerkt. Hij werd heengezonden door de scheids. maar hij ging niet. In plaats daarvan stapte hij op de arbiter af en sloeg hem op zijn gezicht.

Het was het einde van mijn voetbalcarrière. De wedstrijd werd uiteraard gestaakt, we gingen douchen, de mannen gingen naar de kantine en ik stapte op mijn fietsje, reed naar huis, en zette nooit meer een voet op Unitasbodem.

2 thoughts on “Mijn dagen bij de foebal

  1. Je schreef over Jack Martens bij Unitas. Ik weet niet of je het al weet maar Jack is afgelopen donderdag op 45-jarige leeftijd overleden. Als je meer wilt weten neem dan contact met me op.
    Hans Olsthoorn
    0499-474193

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories