De trip

Home   /   De trip

“Laten we daar wat gaan drinken.”
Bij “wat drinken” hoort in deze stad ook “wat eten”. We hebben geluk, in deze tent mogen we zelfs kiezen wat we bij onze biertjes krijgen.
“Als het maar vet is.”
“Dat je erin bijt en dat dan de olie langs je kin en hals naar beneden loopt, zodat we de rest van de avond een hardnekkige vlek bij de kraag…”
De ober is al weg.
“Geen gevoel voor humor.”
“Je moet ook niet zoveel ouwehoeren.”
Aan het tafeltje naast ons zitten vier oudere mensen, twee mannen en twee vrouwen. De mannen zijn behangen met goud en hebben dure pakken aan, de vrouwen zijn afschuwelijk opgetut, en dragen al net zoveel glinsterende dingetjes met zich mee.
“Tante Poes en haar zus op stap met Rinus en Hannes.”
“Tante Poes en haar zus verdienen zo te zien een centje bij.”
“Ja?”
Gonzo kijkt me spottend aan.
“Jij bent niet zo snel, he?”
“Al jaren niet meer.”
Het café is verlicht met tl-licht, en naast de spiegels die de hele zaak rond aan de wanden bevestigd zijn hangen leeslampjes. De spiegels zijn gelig, met bewegende vlekken erop, een beetje als de aanslag die je op koperen potten ziet. Wel gek, dat ze bewegen, die vlekken. Camarón de la Isla klinkt op de achtergrond, en de lucht is zwaar van de bakolie.
“Onze kleren zullen wel lekker ruiken zometeen als we hier weg …. hé! Voel je je wel goed?”
“Ja, hoezo?”. Hij ziet een beetje groen.
“Je ziet een beetje groen.”
“Het licht.”
“O.”
De ene hoer zit Rinus flink op te geilen daar aan dat tafeltje. Ze heeft een hard en afgeleefd gezicht. Gemeen, zelfs. Wat een lelijkerd. Zo bruin ook, van dat vieze zonnebankbruin, en veel te veel make-up. Ze glimt helemaal. Die andere ziet er veel vriendelijker uit. Ze begint ineens te snikken. Hadden we het toch fout. Hoeren beginnen toch niet te janken als ze aan het werk zijn?
“Dat vind ik wel een beetje bot, hoor”, zegt ze tegen Hannes. Die verdedigt zich wat lafjes, zegt dat het allemaal zo erg niet was wat hij haar net kennelijk heeft toegefluisterd.
“Wat vreemd dat ze zomaar begint te huilen.”
“Wat?” Gonzo kijkt een beetje verstoord. Hij was duidelijk niet met het tafeltje naast ons bezig. Maar waarmee dan wel?
“Neuh, niks.” Ik kijk weer terug naar onze vier buren. Ben ik nou gek, of zien ze er anders uit? Ze zitten te discussiëren. Rinus en zijn gemene hoer tegen Hannes en zijn lieve. Rinus laat zich kennen als een echte klootzak. Ik versta niet alles maar het komt erop neer dat hij vindt dat de lieve hoer haar smoel moet houden en gewoon moet doen wat haar verteld wordt. Daar wordt ze tenslotte voor betaald. Hannes ondertussen probeert de boel wat te sussen.
“Natuurlijk, er zit een dure maaltijd in zijn maag en in die van zijn zachte hoer, om over de kale huur van de juffrouw nog maar niet te praten.”
“Hè? Waar heb je het over, man?”
“Rinus en Hannes, kijk dan, hun avond dreigt in het water te vallen.”
Gonzo kijkt naar de vier en weer terug naar mij. Hij kijkt een beetje scheel. Vreemd, dat was me nog nooit opgevallen.
“Laten we gaan,” zegt hij. Hij stinkt uit zijn bek.
“Wat? We hebben onze hapjes nog niet.”
“Kom op man, ik kan hier niet tegen. Bovendien kots ik het straks toch allemaal weer uit.”
“Nou ja zeg.”
Rinus heeft inmiddels een sigaar opgestoken. “Dat past wel bij hem,” denk ik. “Mannen met sigaren zijn klootzakken.” De lieve hoer is nog altijd aan het snikken, terwijl Hannes zachtjes op haar inpraat. Ik loop langs hen heen de zaak uit. “Redden wat er te redden valt, jong,” zeg ik tegen Hannes. Rinus kijkt me aan, maar Hannes hoort me niet.
Gonzo komt achter me aan.
“Laten we naar Dos de Mayo gaan,” zegt hij.
“Okee.” Pffff, wéér naar Malasaña. Nou ja.
Het terras zit vol, maar we vinden een tafeltje. Ik moet even goed kijken voordat ik kan zitten. De stoelen staan helemaal scheef, doordat de poten niet allemaal even lang zijn. Die rare Madrilenen ook met hun zogenaamd hippe gedoe.
“Ze hebben andere stoelen aangeschaft.”
Gonzo begint te lachen. Onbedaarlijk te lachen.
“Ze hebben andere stoelen aangeschaft,” doet hij me na, hikkend van het lachen.
Ik moet ook lachen. Ik val bijna uit mijn stoel.
“Wat is er met dat licht, man?,” vraag ik als ik bekomen ben.
“Het beweegt hè? Goed.”
“Zie je de schaduwen van die bomen?”
Dani, de ober, komt bij ons staan.
“Jezus hee, heb je gezopen of zo? Fuck man, wat een kegel!”
“Feestje. Binnen. Wat willen jullie?,” zegt Dani.
“Cola. En hij ook.”
Gonzo heeft zijn ogen dicht en een grote grijns op zijn gezicht. Wat kan hij er soms stom uit zien, met die gele tanden van hem.
“Staat wel mooi, dat groen, bij die gele tanden,” zeg ik terwijl ik hem aanstoot.
Hij schrikt op. “Groen?”
“Ja, je gezicht. Je gezicht is groen.” Ik voel weer een slappe lach opkomen maar ik houd me in. Mijn tanden klapperen en ik hoor een gezoem in mijn rechteroor. Ik kijk naar de kinderen die even verderop aan het voetballen zijn. Ik vraag me af hoe ze de bal nu kunnen zien, met dit licht en al die bewegende schaduwen. Ik zie een paar gele slangen over de stoep schuiven. Het is druk om ons heen. “Vijhonderd,” zegt iemand. Er zit een ongelofelijk mooi meisje een paar tafeltjes verder. Prachtig ravenzwart lang haar, en wat een ogen. “De mooiste meisjes van Europa,” zegt een stem. “Yep.” Waarom zitten dat soort meisjes altijd op terrasjes met van die lelijke kerels? Oei, ik moet opletten dat ze niet merkt dat ik naar haar kijk. Gênant is dat. Mijn ogen dwalen over het terras, maar op de een of andere manier rusten ze om de drie seconden even op haar. Ze ziet het. Shit. Ik kijk terug naar ons tafeltje. Er staan twee glazen cola en er ligt een bonnetje onder een schoteltje met olijven. 500 peseta’s voor twee cola’s. Gonzo is weg. Ik neem een slok en probeer een ijsblokje in mijn mond te laten glijden. “Dat ziet er belachelijk uit, dat weet je toch wel he?” Met het glas aan mijn mond kijk ik om me heen. Fuck, het ijsblokje blijft steken. Uit mijn ooghoeken zie ik verschillende mensen mijn kant op kijken. Iets wijder mijn mond. Daar. Het tikt tegen mijn tanden, en plotseling hoor ik een hoge toon, keihard, van mijn rechteroor naar mijn linker gaan. Ik spuug het ijsblokje op de grond naast me.
“Wat doe je nou?” Gonzo is terug.
“Waar was je?”
“Geld wisselen voor de automaat.” Hij gooit een pakje Fortuna’s op de tafel en gaat zitten.
“Die dikke was binnen.”
“O, moet-ie niet draaien vanavond?”
“Zometeen.”
“Gaan we langs?”
“Tuurlijk.”
Er klinkt een sirene. Heel kort. Een brandweerwagen komt langsgereden, maar zonder veel haast. Hij stopt niet voor de slangen, die inmiddels van de stoep de straat op geschoven zijn, maar op de één of andere manier overleven de beesten het.
“In plaats van gewoon toeteren,” zeg ik.
“Wat?”
“Die brandweerwagen. Hij laat zijn sirene met korte stoten loeien, in plaats van te toeteren.” Het gevaarte rijdt wel erg langzaam. De brandweermannen achterop de wagen zwaaien. Ik zwaai terug.
Het terras loopt leeg.
“Zullen we dan maar?,” vraagt Gonzo.
Ik drink mijn glas snel leeg. Hoe lang zijn we hier geweest? Gonzo zegt nog iets tegen Dani, die lacht.
“Tot later,” zegt Dani tegen me.
“Yo.”
De Tupperware is bijna leeg. De dikke draait zijn gebruikelijke punkplaatjes. Ik loop naar de bar en kijk naar het barmeisje. Ze leest iets. Achter haar staat ze zelf op de muur afgebeeld, tussen haar twee zussen in. Ook al zo mooi. De muurschildering beweegt langzaam, en er zit ongewoon veel echo in dat Stooges-nummer.
“Heb je de echo open staan?,” vraag ik aan El Gordo.
“Waaat?”
“Of je de echo open hebt staan!”
“Echo? Ik draai punk hoor. Niks echo, het is hier geen disco. Wil je een lijntje?”
“Nee man.”
“Homo. Wat wil je drinken?”
“Twee biertjes. Wat was dat voor feestje op Dos de Mayo?”
“Hoe weet jij dat?”
“Gonzo. Ik zat op het terras.”
“O. Gewoon, een feestje.”
Ik loop met twee flesjes Mahou in mijn handen terug naar Gonzo, die op het biljart is gaan zitten. Weer die stompzinnige grijns op zijn gezicht. “Aaah, lekker.”
De deur gaat open en twee jongens komen binnen. De ene heeft een hele rare kop. Zijn haar zit op zijn hoofd geplakt en hij heeft enorme bakkebaarden, en twee gigantische hazentanden. En een bril. “Hij lijkt op Calimero met bakkebaarden,” zeg ik tegen Gonzo.
Gonzo begint te lachen. “Ja, inderdaad.”
Calimero komt naar ons toe. Fuck, hij heeft me gehoord. Ik zet me schrap.
“Hee, Gonzo, lang geleden,” zegt hij.
“Hipo, dit is Dave, Dave, Hipo.”
“Hipo?”
“Van Hipólito,” zegt Calimero. “Ik ken jou wel.”
“Kan niet.”
“Hoezo?”
“Ik woon hier nog maar net.”
“O.”
Ik moet weer lachen, en mijn tanden klapperen nog harder dan eerst. Het gezoem is ook weer terug. Calimero kijkt me aan, alsof hij ergens op wacht, maar ik heb geen idee waarop dus ik hou verder mijn mond.
“Nou, ik zie jullie nog wel he.”
“Yo.”
De muurschilderingen zijn geweldig. Fel oranje, fel blauw en geel, en de priemende zwarte ogen van de drie zussen, die tegen me lijken te praten met hun bloedrode monden. Rond hun hoofden kronkelen dezelfde slangen als die ik eerder op het terras zag. Die beesten zijn overal. Ik zeg tegen mezelf dat dat onmogelijk is, het zijn immers muurschilderingen. Maar het geeft niks. Alles is okee. Ik voel me alsof ik in warm water drijf, terwijl die dikke de ene rauwe en echoënde punkplaat na de andere draait. Wel gek dat ik mijn ogen niet stil kan houden, en mijn tanden klapperen weer.
Ik weet niet hoe lang we er al zijn, maar Gonzo wil weer weg. “Laten we naar No Fun gaan,” zegt hij.
Ik vind alles best, dus ik volg hem de straat op. Het barmeisje zwaait naar me, en ik zwaai terug.
Het is gigantisch druk. Auto’s en brommers, en een massa tieners die op de stoepen zitten, de meesten met grote flessen cola en kartonnen pakken Don Simón naast zich. Voor de kalimotxo. Gonzo loopt sneller dan ik, ik heb moeite me door de massa mensen heen te wringen. Ik voel onrust. Vóór mij hoor ik ineens geschreeuw boven het lawaai van de mensen en auto’s uit. Ik zie een busje naderen van de Nationale Politie en eromheen lopen wat jonge gasten naar de mannen in het busje te joelen. “Politie, moordenaars,” zingen ze. Iemand roept “Leve ETA!”. Ik lach maar probeer niet teveel om me heen te kijken. Het is al moeilijk genoeg om recht vooruit te lopen. Het geluid is soms helder, en soms één grote echoënde en anderszins vervormde brij. Plotseling staat Gonzo voor me.
“Gaat het?”
“Ja hoor.”
Hij lacht. “Wat een zootje he?”
In het gedeelte waar No Fun ligt is het een stuk rustiger. Er staan wat gasten bij de deur, die Gonzo begroeten. Ze lachen, en kijken ook naar mij. “Hallo hallo, hier aarde, ontvangt u mij?,” roept iemand. Iedereen lacht. Ik ook, maar ik vraag me tegelijkertijd af hoe ze dat zo snel in de gaten hebben gekregen. We lopen toch niet echt te zwalken of zo.
Binnen is het stampvol, maar ik hoor geen muziek. Ik kijk in de richting van de DJ-cabine, waar de Haai staat. Hij kijkt me aan, en dan knalt “Waiting for the Man” keihard uit de speakers. De Haai kan niet meer stuk voor mij, net als deze avond. “Goeie zet, om hierheen te verhuizen,” zeg ik tegen mezelf, maar ik hoor het niet eens door het lawaai om me heen. Gonzo stopt een flesje Mahou in mijn handen. Ik hoef geen bier meer. Ik hoef helemaal niks meer. Ik laat het bier uit het flesje lopen, niemand die het zal merken in deze dansende menigte. Ik hang wat tegen mensen aan, doe mijn ogen dicht. “Heeeeeeeeee!” roept iemand in mijn oor. Ik doe mijn ogen open. Het is het meisje van het terras. Wat is ze mooi. “Je geeft licht,” zeg ik tegen haar.
“Waaaat?”
“Je geeft licht!” Ik ruik aan haar haar. Zoet. Ze gebaart dat ze me niet verstaat en haalt haar schouders op. Ze lacht, en danst verder.
“Oh well,” zeg ik, en sluit mijn ogen weer. De muziek stroomt door mijn lichaam, de rillingen lopen over mijn rug. Ik merk dat het niet uitmaakt of ik mijn ogen open of dicht heb, ik zie steeds dezelfde dansende kleuren, neonflitsen. “Het lijkt wel een film,” zeg ik, weer tegen mezelf. “Een videoclip!” De mensenmassa wordt een waas, ik probeer tijdens het dansen te draaien om niet de hele tijd dezelfde richting uit te kijken. Ik zie er vast belachelijk uit. “Denk je nou echt dat iedereen op je zit te letten? Zo belangrijk ben je niet hoor, maak je maar geen illusies.” De stem verdwijnt in het lawaai van Iggy’s “TV Eye”, en ik begin hard mee te schreeuwen. Ik sta onder stroom.
Als we buiten komen is het licht. Gonzo woont om de hoek en ik heb eigenlijk wel zin om bij hem op de bank te gaan hangen. Ik voel me vreemd, leeg maar niet moe. Mijn tanden klapperen nog steeds een beetje. Gonzo staat nog even met de portier van No Fun te praten. Ik ga zitten in een portiek aan de overkant, maar Gonzo komt al aangelopen.
“Kom op, we gaan. Je kunt wel bij mij slapen.”
“Okee, vind ik een goed idee.”
“Wel op de bank he, ouwe nicht.”
Ik moet lachen maar door mijn klapperende tanden en het gezoem in mijn oren kom ik niet verder dan een “dzzz-zzz-dzzz”. Laat ook maar.
Bij Gonzo thuis moet ik naar de plee. Voor het eerst in de hele nacht, bedenk ik me ineens. Ik giechel. Ik heb geen zin om te staan dus ik laat mijn broek zakken en ga zitten. “Mijn moeder zou trots op me zijn,” denk ik. De vloer golft een beetje, en als ik mijn ogen iets anders focus, zie ik duizenden zwarte stipjes krioelen, als een legioen mieren. Zodra ik beter kijk verdwijnen ze weer. Ik buig wat dichter naar de grond. Geen mier te zien.
Vreemd.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories