De droom

Home   /   De droom

We zijn in Club Kathmandú. Plotseling is er een inval van de politie. We worden meegenomen, ik en nog wat anderen, ik weet niet meer wie. Terwijl we in de auto zitten probeer ik de drugs die ik bij me heb te verstoppen tussen de kussens van de zitting. Ik vraag me af waarom ze ons niet gefouilleerd hebben. Het doosje met wiet dat ik, nu ik weer over een tijdelijke voorraad beschik, altijd bij me draag, zit nog steeds in de broekzak aan de zijkant van mijn rechterbroekspijp. Het lukt me het doosje tussen de kussens te proppen, wat me verbaast. De smerissen letten helemaal niet op me.
We komen aan bij een huis, dat ik op de een of andere manier met Floor associeer, hoewel zij daar niet aanwezig is. Terwijl de anderen in een soort salon ondervraagd en (denk ik) mishandeld worden, loop ik vrij door het huis. Ik loop de trap af en kom terecht in een keuken, waar een aantal koelkasten staan. Ik kijk of de kust veilig is, en loop in de richting van de koelkasten. Ik hurk voor de meest rechtse, doe de deur open, en prop een stuk hasj dat ik nog in mijn broekzak had zitten, onder de koelkast. Ik zie de hasj zitten, want de bodem van de koelkast is van een dik soort matglas, met reliëf op het oppervlak. Ik hoor mensen komen, dus ik laat de hasj daar zitten, er is geen tijd voor bedenkingen. Ik sta op, en de mannen die binnenkomen nemen me mee naar de kamer waar ik ondervraagd word. Degene die mij onder handen gaat nemen ken ik, maar ik weet niet meer waarvan. Ik denk dat hij me herinnert aan een van de portieren van Kathmandú, en ook aan de agent uit de film “Más que amor frenesí”. Hij zegt dat ik moet zitten.
Hij gaat achter mij zitten en bindt een soort leren riem voor mijn mond. Hij zegt iets dreigends in mijn oor, of beter, hij zegt iets dat niet zozeer dreigend is vanwege de woorden, maar meer vanwege de manier waarop hij ze uitspreekt; een zweem van sadistisch genoegen klinkt door.
Ik voel geen enkele angst, het enige dat ik me afvraag is waarom ze ons niet gefouilleerd hebben, en wat precies de reden is van onze arrestatie.
Blijkbaar ben ik veroordeeld tot gevangenisstraf, hoewel er geen proces plaatsvindt. Ik word afgevoerd naar een enorm veld bezaaid met tenten, een soort camping. Het blijkt de gevangenis te zijn. Ik krijg een tent toegewezen, een witte tent, waar ik rechtop in kan staan. Er ligt een éénpersoonsmatras met witte lakens. Het is heel licht in de tent. De gevangenen lopen los rond, het doet me denken aan de grote festivalcampings. Dan komt de man die me ondervraagd heeft met een grote auto de tent binnen rijden. Ik blijf staan waar ik sta, maar hij rijdt door, en ik word gedwongen opzij te springen. Hij rijdt de auto volledig de tent in. Hij en een vrouw stappen uit. De vrouw zegt in het Nederlands “We zijn vergeten je te hemmen”, wat betekent dat ze me nog geen gevangeniskleding hebben gegeven. Pas nu besef ik dat iedereen hetzelfde vale, grijsgroene shirt draagt. Ik krijg er ook een. Ze verlaten de tent, en Ander komt de tent binnen lopen. Hij zegt dat we de tent moeten delen. Ik lach, en kijk naar het éénpersoonsmatras op de grond. We lachen, net zoals we op het werk altijd doen. Ik kijk naar buiten en vraag me af hoe lang ik moet zitten, waarom, en wat ik tegen mijn moeder moet zeggen.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories