Categories
schrijfsels

De appel van mijn oog

R. was drie toen ik haar leerde kennen. Mee op sleeptouw genomen door heur moeder I., helemaal vanuit Badhoevedorp naar Playa de las Americas op Tenerife, vertederde ze de plaatselijke bevolking en collega-timeshareboeven met haar prachtige grote bruine ogen, haar lange bruine haar en haar vrolijke karakter. Een groot actrice, dat wisten we toen al. I. en ik raakten bevriend, en R. werd mijn oogappeltje. Dagenlang paradeerde ze, hooggezeten op mijn schouders, over de promenades van het toeristenoord, en door de dorpstraat van Guía de Isora, waar ze met haar moeder woonde en waar iedereen hen kende.

In de winter van dat jaar 1989 verkaste ik naar Barcelona, zij bleven nog een paar maanden op het eiland om te proberen nog wat extra centen te verdienen. Toen ik aan het begin van de zomer van 1990 terugkeerde naar Amsterdam, waren R. en I. alweer in Badhoevedorp, back to normal, en we spraken zo snel mogelijk af. I. wist me te strikken als babysit voor R., en die functie vervulde ik een paar jaar met veel plezier. Tot de dag dat R. hysterisch werd bij het zien van mijn verschijning. De moeder van het vriendinnetje keek me aan en ik las van haar gezicht dat ze zich afvroeg wat ik in godsnaam met het kind had uitgevoerd. R. weigerde met me mee terug naar huis te gaan, zat gillend en met de tranen over haar wangen rollend op de trap, en ik vroeg de moeder of het okee was dat ik later terug zou komen met I. om R. op te halen. “Wat mij betreft zet jij geen voet in haar nabijheid zolang als ik leef”, dacht ze, en ze zei “Natuurlijk, geen probleem.”

Verward, aangeslagen liep ik terug naar het huis in de Havikstraat, me afvragend wat ik gedaan kon hebben dat haar zó van streek maakte. I. had wel eens gezegd dat R. te jong was om de ironie te begrijpen waar ik haar af en toe mee benaderde, en dat mijn gekscherende toon haar verwarde, maar dat kon toch niet de reden van een dergelijke hysterie?

Het duurde een jaar voordat ze, inmiddels zes geworden, me weer aan wilde kijken en tegen me praatte. In dat jaar was ik gewoon langs blijven komen, maar het was altijd wat onwezenlijk geweest. Terwijl ik met I. zat te praten, was R. altijd thuis, maar wel zo ver mogelijk van mij vandaan. Dat was moeilijk, maar ik wist dat ik hoogstens schuldig kon zijn aan het eerder genoemde en wellicht misplaatste gevoel voor humor. I. dacht hetzelfde, na gesprekken met haar dochter.

Toen het weer goed kwam, was het ook echt weer goed. Ik was wat voorzichtig met wat ik zei en hoe, maar dat was het enige dat anders was dan voorheen. Ik paste ook weer op haar, en soms kwam ze zelfs bij mij in Amsterdam logeren. Tisfris was haar favoriete stek om even uit te rusten van onze zaterdagse strooptochten langs snoep- en speelgoedwinkels, en ik merkte dat R. een uitstekende chickmagnet was, wat een leuke bijkomstigheid was.

Jaren later, toen ze net elf was, kwam ze langs in Madrid, we bezochten de flamencoschool waar een vriend van haar dansleraar doceerde. Ik nam haar mee naar een aantal tabernas zoals de Casa Patas waar flamencoconcerten werden gegeven, en R. was ervan overtuigd dat ze later een groot flamencodanseres zou worden.

Nu is ze vijftien. Ieder weekend hangt ze in Odeon, waar ze naar verluidt de “vieze kerels” met veel humor van zich af slaat en toen ze laatst in Antwerpen op bezoek was, stak ze na het eten een peukie op. Ik moest mee naar de Meir, kleren kopen. Winkels waar ik normaal gesproken niet over zou peinzen ze te betreden, commentaar op alles en iedereen, “jezus, dat kán toch niet, die combinatie!”, “jongens weten zich ook helemaal niet te kleden”, “wat ís dat toch dat iedereen hier, jongens en meisjes, op gymschoenen met plateauzolen loopt, dat is toch lélijk?” “Ik denk dat ik maar beter niet kan vragen wat je dan van mijn manier van kleden vindt”, zei ik om er op slinkse wijze achter te komen wat ze dan van mijn manier van kleden vindt. “Jij bent gewoon Dave, en je kleedt je gewoon als Dave, en dat is okee.”

Een groot actrice, dat wisten we toen al.