Bakvis

Home   /   Bakvis

In het theehuis bij mij om de hoek vertel ik haar dat ik mijn plannen gewijzigd heb; ik ga niet mee naar Mexico, tenminste, nog niet. Ik blijf nog eens 6 maanden hier in Madrid, pas daarna kan ik weg. Ze vat het een beetje gelaten op, maar dat is goed, want ik had een huilbui verwacht. Mijn geweten valt weer terug in haar luie stoel. We praten nog even door over onze plannen om deze stad voorgoed te verlaten en op avontuur te gaan, ze heeft zelfs al besloten op me te wachten! Ik sta versteld.
Na een uurtje lopen we naar buiten. Ze zegt nog geen zin te hebben om naar huis te gaan, en ze vraagt of ze bij mij mag komen zitten. Natuurlijk zeg ik ja, het is altijd goed ouwehoeren met haar en ik heb zelf ook niet echt slaap.
Ze is stil als we naar mijn huis lopen. De weg is stijl en ik kijk naar het beekje pis dat ons tegemoet stroomt vanaf het spuiterspleintje boven. Het stinkt. Ik kijk haar aan maar ze kijkt strak voor zich uit, met haar kaken gespannen.
Als we bij de voordeur staan zegt ze ineens iets.
“Wat zeg je?”
Ik draai me om. Haar ogen staan vol tranen.
“Ik ben bang. Ik wil echt wég hier. Wég.”
Ze begint te huilen. Ik omhels haar, weet niet goed wat ik moet zeggen. Mijn geweten is weer opgestaan, heeft een stuk prikkeldraad gepakt en slaat er rigoureus op los.
“Kom mee naar boven.”
Tussen slokken water en een hevig gesnik door begint ze uit te leggen dat ze bang is voor het leven, het dagelijkse leven dat haar verstikt.
“Niks interesseert me. De mensen hier interesseren me niet. Het leven hier interesseert me niet. Ik moet hier écht wég. Ik wil echt weg. Ik ben geobsedeerd. Ik wil het je vertellen, maar ik durf niet. Ik ben geobsedeerd door een persoon.”
“Dat ben ik.” Even snel als het kwam, verdwijnt de gedachte weer. Om plaats te maken voor Stephen Enkinsma.
Ik zet mijn computer aan. Als ik mijn WordPerfect-bestanden open, zie ik een document waar ik de naam niet van ken. Ik open het. Het scherm vult zich met een woordenbrij waar ik helemaal niets van begrijp. Ik bekijk het eens goed. Sommige letters zijn dikgedrukt. Ik schrijf ze op. S. T. E. P. H. E. N. E. N. K. I. N. S. M. A. “Stephen Enkinsma”? Het lijkt wel een Nederlandse achternaam, maar toch niet echt. Ik roep David erbij. zij kijkt ook op. Ze komt aanlopen. Haar gezicht kleurt donkerrood.
“Wat is dat in godsnaam?” vraagt David.
Ze begint zenuwachtig te lachen.
“Haal maar weg. Het is niks.”
Ze kijkt me dwingend aan, haar ogen waarschuwen me niet verder te vragen.
Ik haal mijn schouders op en druk op delete.

“Weet je nog wat er in je WordPerfect stond, een paar maanden geleden?”
“Stephen Enkinsma, wie is dat?”
Ze draait zich om naar mijn cd verzameling, het gedeelte waar de letter P staat.
“Stephen Enkinsma is Malkmus?”
In het theehuis had ze de zanger van Pavement “de man van haar leven” genoemd.
“Ik had de letters destijds niet goed gemerkt. Ik was dronken. Hij heet Stephen Jenkins Malkmus, voluit. Toen ik Pavement voor het eerst hoorde was ik gefascineerd door zijn stem, ik vond het fantastisch, ik hield meteen van die groep. Ik had ze nog nooit gezien, geen foto, geen interview gelezen. Totdat ik op een dag een Melody Maker in handen kreeg en zijn gezicht op een foto zag.”
Ze begint te huilen.
“En ik bleef maar staren naar dat gezicht, dat gezicht! Ik kon niets uitbrengen, was als versteend, ik wist niet wat ik moest doen!”
“Nou zo erg is dat toch niet” zeg ik, half lachend, voorzichtig.
“Maar dat is toch belachelijk!” roept ze, huilend nog steeds.
“Ik ken die hele vent niet! En ik krijg z’n gezicht niet uit m’n hoofd, wat ik ook probeer. Het is een obsessie, en ik weet niet hoe het te stoppen. En het stomste van alles is, als ik met hem praat valt alle schroom weg, geen enkel probleem. Ik heb hem geïnterviewd, ik heb met hem gedronken, gewoon gepraat, en niets! Maar als ik een foto van hem zie, of als ik zelfs maar aan hem denk, dan ben ik niks meer! En ik kan er niet meer tegen, ik kan het niet.”
Ze verbergt haar gezicht in haar handen. Ze blijft maar huilen. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. “Misschien kende ze hem uit een vorig leven”, en in mij brandt weer die eeuwige strijd los tussen “doe niet zo belachelijk, hippie” en “ja, misschien is dat wel zo”.
“Misschien ken je hem wel uit een vorig leven.”
(In mijn hoofd hamert het. “Jezus, wat klinkt dat toch belachelijk.”)
“Misschien zijn jullie wel voorbestemd.”
(“Man o man wat kun je af en toe toch rare dingen zeggen.”)
“Wat mooi.”
Ik weet niet of ze de spot met me drijft of dat ze het meent.
“Ik heb dit nog nooit tegen iemand verteld.”
“En, lucht het op?”
“Ja, het lucht op. Maar het blijft belachelijk, vind jij het niet raar dan?”
“Nou, nee, of eigenlijk, ik weet niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Raar? Nee, het is niet raar. Het is niet alledaags, maar raar? Wat is nou raar? Ik denk wel dat het steeds minder een obsessie zal worden als je er gewoon over praat.”
“Maar ik kan toch niet tegen jan en alleman zeggen dat Stephen Malkmus mijn obsessie is? Ik bedoel, ik koop alles wat maar iets te maken heeft met Pavement, elk blad met 4 woorden uit zijn mond heb ik thuis liggen, je weet wel, als de eerste de beste bakvis met posters op haar kamer, het is te belachelijk gewoon.”
Maar ze lacht al met me mee. Ik voel me opgelucht.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories