A fortunate son

Home   /   A fortunate son

Ik leerde Lee kennen bij Comforte in Madrid, 1994. In de eerste week klikte het; twee Noord-Europeanen in een Mediterraans land, dat werkte wel. Maar al snel begonnen we elkaar te irriteren. Lee voelde zich bedreigd door mij. Tot ik kwam was hij degene die (volgens hem) het meeste van muziek wist, de meest open mind had van iedereen die bij Comforte werkte (ook volgens hem), en hij was het aanspreekpunt wat betreft de buitenlandse contacten. Toen kwam ik, die minstens net zo veel met muziek bezig was als hij, en net zo open stond voor alles wat met muziek te maken heeft. Daarbij kwam dat ik waarschijnlijk wat makkelijker in de omgang was dan hij, of in ieder geval wat beleefder. Punk as fuck, dat was Lee, en sommige mensen konden daar niet zo goed mee om gaan. Toen kwam het jonge Hollandertje dat altijd “meneer” zei en bovendien direct in contact stond met het hoofdkantoor in Nederland, en dat viel in goede aarde bij de mensen, blijkbaar. De relatie tussen Lee en mij verslechterde. Hij was mijn “meerdere”, en hij liet dat op steeds ergerlijker wijze weten. Tot het punt waarop hij me niet langer met respect behandelde, maar me gewoonweg afblafte als de eerste de beste sukkel.

Een aantal zeer hoog oplopende discussies waren het gevolg, steevast eindigend in slaande deuren bij het woordeloze vertrek van één van ons twee. Tot de dag dat ik overkookte.

Het was iets onbenulligs waarschijnlijk, maar er werd wat geschreeuwd, waarop ik zei dat hij normaal tegen me moest praten. Het antwoord “jij bent maar een sukkel en je hebt te doen wat ik zeg en daarmee uit” deed het hem. Ik draaide me naar hem toe en gooide zijn bureau omver. Terwijl hij klem lag tussen de vloer en de tafel, boog ik me over hem heen en siste (nou ja, waarschijnlijk sprak ik gewoon. Misschien met wat consumptie. Maar “siste” is mooier voor het beeld) dat hij nooit, maar dan ook nooit meer op die manier tegen mij moest praten want dan zou ik zijn kop van zijn romp trekken. Ik meende het ook nog.

In de dagen die volgden sprak ik niet tegen hem. Letterlijk. Hij vroeg me om op zijn minst professioneel te zijn en in ieder geval het noodzakelijke tegen hem te zeggen om ons werk goed te kunnen doen. Ik weigerde. Mijn trots was gekrenkt, en als het eenmaal zover is, dan draai ik niet snel bij. Gesprekken (apart van elkaar, natuurlijk) met de baas, waarin men de boel met woorden probeerde op te lossen, hielpen niet. Ik was al van plan om een andere baan te zoeken, want met Lee spreken zou ik niet meer doen.

Na een week was er een concert van Redd Kross in de Revolver in het centrum van Madrid. Ik ging erheen, met een aantal collega’s. Ik had net een envelopje met papertripjes ontvangen uit Nederland en ik was van plan om eens flink naar de klote te gaan. Hetgeen geschiedde.

Lee was er ook, dronken als een Maleier. Na het concert sprak hij me aan.
“Talk to me.”
“You smell of booze.”
Ik was aan het hallucineren, maar ondertussen toch nog genoeg bij zinnen om te beseffen dat het allemaal een beetje uit de hand was gelopen, die ruzie tussen ons. We gingen zitten en hij begon me met dikke tong uit te leggen dat hij me zeer waardeerde. Dat ik de enige was binnen het bedrijf met wie hij op een normale manier over muziek kon praten. Dat ik op dezelfde lijn zat als hij. Dat ik een ego had dat minstens zo groot was als het zijne. En terwijl hij tot me sprak bedacht ik me dat ik net zo over hem dacht. Ik zei het hem, waarop hij vroeg waarom we dan in godsnaam zo’n ruzie maakten.
“Omdat jij een ego hebt dat minstens zo groot is als het mijne.”

Na die avond waren Lee en ik de beste vrienden. We werkten perfect samen, we tripten samen, we gingen naar concerten en haalden nachten door in de Louie Louie, de No Fun en de Tupperware. Hij vertelde me in geuren en kleuren over zijn belevenissen bij de straathoeren van de Calle del Desengaño, hoe hij zich na het betalen van 3000 pesetas aftrok boven de tieten van Madrid’s beroemdste tippelaarster, een dame van in de zestig die er uitzag alsof tante Poes de baan op was gegaan nadat het café gesloten was, en die wij “Lola Tomillo” noemden, naar het liedje dat Patrullero Mancuso over haar geschreven had. Hoe hij met zijn vriendin Sol op doordeweekse nachten naar de parenclubs van de stad trok om daar met andere vrouwen te neuken, terwijl zij aan de bar een wijntje dronk.
“Ja, je mag nu eenmaal niet alleen naar binnen in zo’n club,” zei hij dan. En “die domme macho-Spanjaarden, geweldig zijn ze. Ik vraag aan zo’n vent of ik met zijn vrouw naar bed mag, dan zegt hij steevast ‘ja’. Als hij hetzelfde aan mij vraagt zeg ik dat hij dat maar aan Sol moet vragen. Die zegt altijd ‘nee’, maar intussen lig ik al op zijn vrouw, heheh”.

Op een zondagmorgen liep ik de over Callao toen ik hem tegenkwam. Hij had een tas in zijn handen van een bekende damesschoenenwinkel.
“Ik ga vanavond naar een fetishparty,” zei hij. “Inkopen gedaan.”
Hij haalde een doos uit de tas en liet mee een paar enorme pumps zien met stilettohakken.
“Someone’s gonna suck on them tonight.”

Lee Robinson. Wat een geweldige gast. Op 27 december 2001 is hij op 44-jarige leeftijd doodgegaan aan kanker.
Zo gaat dat.

Kenneth Lee Robinson (1957-2001) was lid van verschillende bands als Fortunate Sons (misschien wel de bekendste, met leden van The Barracudas en Flamin’ Groovies), The A-10, The Great Outdoors, Yage, C’mon Babies en Sin City Six. Als Lee Robinson Machine nam hij een album op genaamd “Family Album”.

Tweet Tweet Tweet

Recently, Chez Lubacov

Gathering Dust

Categories