schrijfsels: December 2003 Archief

Ik heb mijn dochter nu

28 December 2003 | | category: schrijfsels

"Ik heb mijn dochter nu." Haar mond vormde een glimlach, maar haar ogen zeiden dat ze het eigenlijk bloedserieus meende. Dit soort momenten, opmerkingen, blikken, zijn precies de oorzaken van mijn afkeer van de vriendin van mijn beste vriend. Jaren geleden, toen hun relatie nog geen relatie was, zei ik hem al wat ik van haar vond, na een eerste kennismaking. Een slang, een wolvin in schaapskleren. Iemand die over lijken ging. Ik zei het niet in die woorden, maar de strekking was duidelijk. Wist ik veel dat hij zijn zinnen op haar gezet had.

Het duurde niet lang voor ze samen gingen wonen. Wat al te snel volgens mij, en ook dat zei ik hem. Maar hij haalde zijn schouders op, en ik hield daarna mijn mond. Hij zou het wel merken, en zoniet, als hij gelukkig met haar was, waarom zou ik spelbreker zijn? Wat me wel mateloos stoorde was dat ik hem nadien zelden meer zag. Onze nachtelijke avonturen, filmavondjes, luister- en rooksessies, het was alsof ze nooit bestaan hadden. The power of pussy.
Drie maanden nadat ze hun woning in hetzelfde blok als het mijne hadden betrokken kwam hij weer eens bij me langs. Het was weer als vanouds, zij het dat de nacht uren eerder eindigde dan voorheen. Een week later vroegen ze me te eten. Het was een mooi appartement, met al haar dingetjes uitgestald op mooie plekjes door het hele huis. Zijn spullen zaten voor het grootste deel nog in dozen. Na het eten kwam het gesprek op de ruimte die ze hadden. Ze liet zich ontvallen dat het weliswaar groot was, het huis, maar niet groot genoeg voor drie. Ik keek haar aan, en zij keek van mij naar hem. Ook mijn ogen gingen zijn kant op, en hij keek terug met een blik waaruit aarzeling en twijfel sprak. "Heb je het hem nog niet gezegd?," vroeg ze. "Ze is zwanger," zei hij. Ik was verbijsterd, want ik wist dat hij absoluut geen zin had in kinderen. "Moet ik jullie feliciteren of...?," vroeg ik. "Ik weet niet?," zei ze, en hij bracht slechts een langgerekt "Eeeuuh..." uit. De stilte die volgde was op zijn minst ongemakkelijk te noemen.

Na een tijdje zei hij dat het niet zo goed uitkwam, wat zij beaamde met een haastig, maar weinig overtuigend "nee, niet echt". Enigszins opgelucht vroeg ik of ze het weg gingen laten halen, en hij antwoordde bevestigend, maar liet daar meteen op volgen dat ze nog moesten wachten. Ik vroeg waarmee en waarop, en zij zei dat ze moesten wachten met een abortus tot de vrucht drie maanden oud was. Hij knikte met een vragend gezicht, en ik kon mijn oren niet geloven. "Drie maanden? Natuurlijk niet! Het moet juist gebeuren vóór de drie maanden verstreken zijn, twaalf weken zelfs, geloof ik," zei ik. "Nee hoor," zei ze, "ik heb al twee keer een abortus gehad en iedere keer moest ik wachten tot drie maanden." "Weet je het heel zeker?," vroeg ik, terwijl ik in mezelf als een razende zocht naar een manier om hem duidelijk te maken dat ze hem in de val aan het lokken was en dat hij een ontzettende eikel was als hij daar in zou trappen. Ik hapte bijkans naar adem van verbazing. "Ja," zei ze resoluut, en ze liep naar de keuken. Hij keek me aan en ik schudde heftig met mijn hoofd. Ik wist niet wat te doen. Ze kwam de keuken uit gelopen en rekte zich opzichtig uit. Wat haar betreft was de avond ten einde gekomen. Ik maakte dat ik weg kwam.

De volgende dag belde ik hem op zijn gsm en vroeg of hij achterlijk was. Hij zei dat hij ook altijd gedacht had dat drie maanden de grens was, maar ze was zo stellig in haar overtuiging dat hij aannam dat hij het bij het verkeerde eind had. Ik raadde hem aan eens heel ernstig met haar te praten en haar duidelijk te maken dat hij nog lang niet klaar was om vader te worden, want dat was zo klaar als een klontje. Ik zei niets over kwade opzet, maar inwendig kookte ik.
Twee weken later was de zwangerschap beëindigd, en zei hij dat hij me dankbaar was dat ik hem de ogen had geopend. Ik noemde hem een stomkop.

Onze vriendschap dreigde te verwateren. Ik zag hem steeds minder, en als we bij elkaar kwamen was zij er altijd bij. Ik begon haar hartgrondig te haten, ook al deed zij poeslief tegen me en kon ik haar zelden op onaardigheid betrappen. Uit respect voor mijn vriend probeerde ik haar aardig te vinden, of beter, mijn minachting zo goed mogelijk te verbergen, maar ik wist dat hij wist hoe ik over haar dacht.
Tot mijn ergernis bleven ze bij elkaar, en langzaam maar zeker begon ze onderdeel te vormen van de vriendengroep waarin ik verkeerde. Er waren meer mensen die hun bedenkingen hadden tegen haar, maar als we hem erbij wilden houden moesten we haar ook dulden, dus zo geschiedde. Het zou wel wennen, was de algemene gedachte.

Af en toe leek het alsof ze veranderde, haar ideeën aanpaste naar een wat minder snobistisch niveau, wat meer met haar voetjes op de grond ging staan. Maar ze viel altijd weer door de mand. Het waren kleine dingetjes, blikken, opmerkingen. "Ze is dik, maar ze is verder wel heel aardig, hoor." Dat soort opmerkingen. Het feit dat ze zelden sprak tegen het stel in het gezelschap dat nooit geld had en zich hulde in eenvoudige kledij, zelfgemaakte truien etc. Ik heb haar meer dan eens op een wat afkeurende blik betrapt als ze naar hen keek, maar ik hield mezelf ook voor dat ik wel eens bevooroordeeld zou kunnen zijn. Ik hield me ook voor dat ik haar met respect moest behandelen omdat ze de geliefde van mijn beste vriend was. En als ik niet te lang achter elkaar met haar omging was het ook best uit te houden. Ik dacht en denk ook dat ze in principe geen slecht persoon is, alleen wel van het soort waar ik me liever verre van houd.

Eerder dit jaar werd ze opnieuw zwanger, en dit keer was er geen sprake van een abortus. Hij vertelde het me aan de telefoon, en opnieuw vroeg ik of ik hem moest feliciteren of. "Ik neem aan van wel," was zijn antwoord. De twijfel bleef gedurende de hele zwangerschap doorklinken in onze gesprekken, hoewel zijn enthousiasme groeide. Maar een week voor de geboorte belde hij me in paniek op. Een paar uur lang hebben we het gehad over zijn angst voor het vaderschap, zijn twijfel over de loop van zijn leven, de radicale verandering die de komst van zijn eerstgeborene zou veroorzaken in zijn dagelijkse bezigheden. Het besef dat er geen weg terug meer was. En dat was uiteindelijk ook de conclusie: er was geen weg terug, en dit was waar hij mee moest leren leven, of hij nu wilde of niet. Natuurlijk was hij blij om vader te worden, maar de twijfel bleef altijd op de achtergrond spelen.

Een uur na de geboorte van hun dochter belde hij me op. De twijfel was verdwenen, het was het mooiste wat hem ooit overkomen was, en ik was oprecht blij voor hem. In de maanden erna woonden ze in het huis van haar ouders. Haar ouders deden alles, en op een gegeven moment leek het alsof haar moeder het kind de borst zou geven als het kon. Een beetje vreemd, maar niet ongewoon in de zuidelijke helft van Europa.
De twijfel bleek toch niet helemaal weg. Hun langdurige verblijf bij zijn schoonouders stoorde hem, maar hij wist niet goed hoe zijn bedenkingen op een rustige, niet ruzie-veroorzakende manier ter sprake te brengen. Ik kon hem niet zeggen hoe anders dan "gewoon, als volwassen mensen", maar zei hem wel dat hij het sowieso moest zeggen. En dat hij wat meer ruggengraat moest tonen. Als je constant op eieren moet lopen zit er iets niet goed, vind ik. Toen ik in het huis van de schoonouders kwam viel me op hoe veel ze overliet aan haar moeder. En hoe overdreven voorzichtig ze was met de baby. Ik heb zelf geen kinderen dus ik kan niet uit ervaring spreken, maar naar mijn mening is de bescherming van mijn vriends dochter behoorlijk overdreven. Maar ik heb me gedragen en braaf mijn mond gehouden. Zijn geliefde is nu ook de moeder van zijn kind, dus meer dan ooit houd ik me op de vlakte. Ook als ze afkeurend sprak over de manier waarop andere vrienden met hun baby omgingen. Het stoorde haar bijvoorbeeld dat zij hun dochter niet onmiddellijk uit de wieg haalden en bij zich in bed legden zodra ze begon te huilen. Ik wierp tegen dat je een kind beter niet kunt laten wennen aan het bij de ouders slapen, maar ze wilde er niets van weten. Mijn vriend hield zijn mond en keek me bezwerend aan, achter haar rug.
Als hij zijn dochter in zijn armen hield bleef ze rusteloos om hen heen draaien, klaar om haar weer over te nemen. Alsof ze niet wilde dat de twee al te veel aan elkaar gehecht zouden raken. Opnieuw hield ik me voor dat dat mijn subjectieve waarneming was, maar tegelijk wist ik ook dat ik niet paranoïde was, ben.

"Ik heb mijn dochter nu," zei ze, toen hij en ik op het punt stonden te vertrekken voor een avondje in de stad. "We gaan achter de meiden aan," had ik plagerig gezegd. "Doe maar wat je niet laten kunt." Die valse glimlach. "Missie volbracht, niewaar?," zei ik nog, en ze knikte lachend van ja. hij lachte schaapachtig, en ik dacht er het mijne van.