schrijfsels: May 2003 Archief

Eigenwijs

28 May 2003 | | category: schrijfsels

De kat ligt lui op het gras. Ze rekt zich uit. Het namiddagse zonnetje kietelt haar witte buik.
Het meisje drukt haar sigaret uit met een vies gezicht. Het is vast haar eerste. Verboden door haar ouders, want het is ongezond, en bovendien is ze nog jong. Ze pakt de leiband en staat op. Ze kijkt naar de kat en zegt "Kom". De kat reageert niet.
"Lula, kom," zegt het meisje weer. Geen reactie.
"Nou, ik ga hoor," zegt het meisje. Ze loopt weg. De leiband spant zich aan. Het meisje stopt en draait zich om. "Lulaaaa."
De kat reageert geheel niet. Ze rekt zich nog eens uit en draait zich om. Het meisje trekt aan het koord. "Lulaaaaa! Kom op nou! Sta op."
Geen reactie. Dan begint het meisje weer te lopen. De leiband staat strak maar het meisje loopt door. Lula wordt meegesleept. Het meisje stopt weer. "Kom je nou mee of niet?" De kat blijft rustig liggen.
"Dan moet je het zelf maar weten," zegt het meisje, en ze loopt verder, de kat achter zich aan slepend.
Het is een komisch gezicht. Lula maakt geheel geen aanstalten op te staan en mee te gaan. Ze laat zich rustig voortslepen, van het gras af de stoep op. Het meisje stopt weer.
"Lulaaaaaaaaa! Verdomme, kom nou mee, kutbeest!" Ze stampt op de grond. Lula blijft liggen. Het meisje kijkt om zich heen, haalt dan een pakje sigaretten uit haar heuptasje. Ze haalt er een sigaret uit, kijkt weer om zich heen, en dan naar de sigaret. Even blijft ze zo staan, aslof ze aan het denken is. Dan stopt ze de sigaret weer terug, en het pakje terug in haar heuptasje. Ze kijkt weer naar Lula. "Kutkat."
Ze loopt weer door, het plein over. Lula verzet zich nu maar kan niet tegenhouden dat ze gewoon wordt meegesleept. Ze geeft haar verzet op en gaat er weer bij liggen. Ze zijn nu halverwege het pleintje. Het meisje stopt weer en loopt dan terug naar de kat. Ze aait het beest over haar buik. Lula kronkelt.
"Zo, en nu gaan we. Kom op, opstaan," spreekt het meisje Lula toe. Maar Lula blijft liggen. Onverstoorbaar. Het meisje loopt weer door, en zodra het koord weer gespannen is sleept ze Lula weer achter zich aan. Taki, de eigenaar van het Griekse restaurant dat aan het plein is gevestigd, komt aangelopen.
"Wat is er? Wil 'ie niet mee?" vraagt hij aan het meisje.
"Het is een zij," zegt ze, "en nee, ze wil niet mee. Dat zie je toch?"
Taki loopt naar Lula en aait haar over haar buikje. Dan pakt hij de halsband beet en tilt het beest op. "Kijk," zegt hij, "zo doe je dat."
"Laat los," zegt het meisje. Hij laat Lula vallen. Die gaat er meteen weer bij liggen. Een andere man komt aangelopen uit Taki's restaurant.
"Zo, wil 'ie niet mee?"
"Het is een zij," zegt Taki met een hoog stemmetje, en lacht dan hard. Het gezicht van het meisje betrekt. De tweede man loopt naar de kat en geeft haar een tikje met zijn voet.
"Sta 'es op," zegt hij. "Hé, gek beest, opstaan." Lula blijft liggen.
Het meisje kijkt Taki met een koele blik aan. "Als ze niet naar mij luistert, denk je dat ze dan wel doet wat jij zegt?"
"Bijdehandje," zegt Taki. Hij haalt een pakje sigaretten uit zijn borstzak en biedt de andere man er een aan. "Peukie?"
De man neemt een sigaret en graait in zijn broekzakken, op zoek naar een aansteker.
"Jij?" zegt Taki terwijl hij het meisje het pakje voor de neus houdt.
"Ik ben pas twaalf hoor," zegt ze.
Taki grijnst. "Weet ik toch schatje," zegt hij.
De andere man begint bulderend te lachen.
Het meisje pakt Lula op, neemt haar in haar armen en loopt weg.
"Doe-doeiii Dikkie Dik," roept Taki haar na. "Tot de volgende keer maar weer!"

Donadoni

16 May 2003 | | category: schrijfsels

We zaten bij Schuim. Ik had een hekel aan Schuim. Ballentent. Patjepejers. Patjepeërs? Patjepejers. Mannen met spijkerbroeken en instapschoenen. Colbertje. Witte blouse in de broek, brede lederen riem met groteske gespen. Rayban op hun net iets te bruine porem. Grolsch in de hand, en maar hard praten in de hoop dat de anderen zouden horen hoe hip en/of cool ze wel niet zijn. Helaas waren die anderen net zo hard met zichzelf bezig als zijzelf, dus de kans dat zij de boodschap zouden ontvangen was minimaal. Schuim. Wat een klotetent. En dan zat het ook nog waar vroeger De Muur zat.
De Muur. Dat was nog eens een goeie tent. Maar ja, krakershol. Dat mag niet in de grote stad A. Stel je voor.
Waar was ik?
Schuim. Ja.
We zaten buiten. Bas vond dat we iets moesten gaan drinken bij Schuim, "omdat we hier nu toch langs lopen, en verder is er weinig open". Daar had hij wel gelijk in. Dus zaten we buiten aan de tafel. Het was een warme avond. Vakantiegevoel. In Zweden was het Europees voetbalkampioenschap gaande. Na het vorige in het door onze jongens flink de oren gewassen Duitsland waren de verwachtingen hoog gespannen, maar ook weer niet zó hoog. Italië lag nog vers in het geheugen. We spraken over voetbal. We waren toch in Schuim, ook al was het dan buiten. Konden we net zo goed ook over voetbal praten.
Een oude man kwam aangelopen. Bas trok een vies gezicht. "Heb ik weer", mompelde hij.
"Wat dan?"
"Let maar op, hij gaat me aanspreken. Die gasten moeten mij altijd hebben."
De man liep recht op Bas af. De kegel snelde hem vooruit. Toen hij vlak voor Bas stond kon je de alcohollucht in dikke plakken snijden.
"Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal", zei hij met dikke tong. Er zaten kraters in zijn glimmende rode neus. Zijn ogen leken uit louter water te bestaan.
"Ah joh, rot op." Altijd even vriendelijk, Bas.
"Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal."
Ik had zin in een verhaal. "Geef de man een bier."
Bas keek me aan met gefronste wenkbrauwen. "Luhul."
"Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal."
Bas stond op en liep het café binnen.
"Voor mij een cola", riep ik. En tegen de man: "Gaat u zitten, meneer."
Voor het grijze haar zult gij opstaan en aan de oude zult gij eer bewijzen.
"Geef me een bier..."
"...en ik vertel je een verhaal, ja ja." Leviticus had waarschijnlijk geen rekening gehouden met doordrammende dronken grijze haren.
De oude man keek me aan. Denk ik.
"D-dzónadoni!"
"Pardon?"
"Dzzzónadoni! Dzzó...nedoni." Hij schommelde heen en weer in zijn stoel. "Een verhaal! Een verhaal. Voor een bier."
Bas kwam aangelopen met twee glazen bier en een glas cola. Hij zette ze op de tafel. "Zo ouwe, kom maar op met je verhaal", zei hij terwijl hij ging zitten. "Nu wil ik het horen ook."
"Bier! Bier! Ik vertel je een verhaal", zei de grijsaard. Hij zette het glas aan zijn mond en begon gulzig te drinken. In een teug dronk hij het glas half leeg. Hij zette het terug op tafel en maakte een smakkend geluid. Hij keek Bas aan, en daarna mij.
"Dzonadoni. Italië. Dzonadoni."
"Donadoni?", vroeg Bas.
"JA! Je kent hem! Dzónadoni! Een gewéldenaar, dat is-'ie! Dzonadoni!"
Roberto Donadoni, speler van AC Milan in die tijd. Goede voetballer.
De oude man riep nog een paar keer zijn naam. Bas werd ongeduldig.
"Waar blijft dat verhaal van je nou, man?"
De man keek hem aan. "Zjij... zjij." Hij keek naar mij met iets dat op een samenzweerderige blik leek. "Hij... beetje ongeduldig... he?"
Ik moest lachen en zei ja.
De man keek weer naar Bas. "Zjij... zje moet niet zo ongedzuldig zzijn, maatze. Znie goed voor je. Kijk naar mij. Ik was ongedzuldig. En nu?"
"Nu ben je een vieze ouwe vent die mensen bier aftroggelt in ruil voor een zogenaamd verhaal, met je dronken harses", zei Bas.
"Vveet zje? Zjij..." Hij keek weer naar mij. "Hij gaat neuken."
"Neuken?", vroeg ik.
"ZzzjA! HAHAHA! Hij gaat neuken. Gewéldenaar!"
Hij pakte zijn glas en dronk de rest van zijn bier op. Met een klap zette hij het glas terug, en hij richtte zich weer tot Bas.
"Neuken ga je! En nu... geef me bier!"
"Echt niet", zei Bas. "Eerst je verhaal."
"Eerst bier! Geef me een bier, en ik vertel je een verhaal."
"Ga nou maar weg, ik heb er geen zin meer in. Opzouten." Ik keek naar Bas en zag dat hij op zijn tanden aan het bijten was. Zijn kaken gingen heen en weer.
De oude man keek hem aan, maar zei niks. Hij zuchtte diep. "Ongedzuldig. Znie goed, maatze. Zzie vat er van mij gevorden is." Hij stond op en waggelde van ons weg.
"Tot ziens, meneer", riep ik. "Doet u wel voorzichtig?"
Hij draaide zich om. "Dzonadoni. Geweldenaar!" Daarna liep hij verder. Hij ging de hoek om in de richting van de Dam.
"Dzonadoni!", galmde het in de verte.

Naast de fiets (1)

12 May 2003 | | category: schrijfsels

Het was doodstil aan de Nassaukade. Er stond een wat klam briesje dat zwaar weer voorspelde en het was donker. Behalve het gebruikelijke geruis op de achtergrond uit de richting van de A10 verstoorde niets de rust. In een portiek stond een man te turen richting de brug over de Singelgracht. Hij keek naar een man die naast zijn fiets stond. Hij stond er wat vreemd bij, voorovergebogen over zijn rijwiel. Hij schommelde vervaarlijk heen en weer maar viel niet, het was alsof man en fiets elkaar in balans hielden.
"Eigenlijk kan dat niet", dacht de man in het portiek bij zichzelf. "De fiets staat los en de man staat los, het evenwicht is niet werkelijk."
Toch bleef de man met de fiets staan, schommelend en wel. Er kwam geen geluid over zijn lippen, hij stond daar maar.
De man in het portiek bleef kijken. "Ik ben benieuwd hoe lang het duurt voordat-'ie omver dondert", sprak de man zachtjes voor zich uit. Hij was in dubio of hij de man met de fiets zou helpen als hij uiteindelijk toch om zou vallen. Hij hoopte dat hij zou vallen, maar aan de andere kant voelde hij zich op dat moment al schuldig over het feit dat hij zou weglopen als het gebeurde, in plaats van de man te helpen. De man met de fiets schommelde steeds heviger.
"Ladderzat", zei de man in het portiek weer tegen zichzelf. Hij keek naar de deur van het portiek waar hij in stond. "Als ze me maar niet horen."
Plots hield de man met de fiets op met schommelen. Hij richtte zich op en keek naar boven. De man in het portiek zette een stapje terug, verder het portiek in, ook al stond de man met de fiets met zijn rug naar hem toe en kon hij hem niet zien. Hij keek ook omhoog, naar de bewolkte hemel. "Hij ziet sterretjes", zei hij zachtjes, en hij gniffelde om zijn eigen kleine grapje. Hij keek weer terug naar de man met de fiets. Die zette een wankele stap, en nog een, en daarna nog een. Toen stond hij stil en boog zich weer over zijn fiets. Hij schommelde opnieuw wild maar viel nog steeds niet.
"Val dan verdomme", fluisterde de man in het portiek, en hij dacht aan een strip die hij ooit gelezen had over een geconstipeerde jongen die op een openbare wc zat en tegen zijn drol riep dat-'ie op moest schieten. Op het eind van de strip had een mensenmassa zich verzameld rond de wc, en uit de massa stak een spandoek met de woorden "Kom dan verdomme". De man in het portiek lachte zachtjes. "Het zou toch mooi zijn als hier een menigte zou staan die de man met de fiets toeriep dat-'ie moest vallen."
Maar de man met de fiets richtte zich weer op en wankelde weer verder. Het zag er naar uit dat de val niet zou komen, en de man in het portiek besloot dat het mooi geweest was. Hij maakte aanstalten om het portiek uit te komen en zijn weg te vervolgen, toen de man met de fiets plots weer tot stilstand kwam.
"Wat sta je nou te kijken man", riep hij ineens.
De man in het portiek schrok zich wezenloos en verstopte zich.
"Wat sta je nou te kijken man!"
Daarna was het weer stil. Na een tweetal minuten durfde de man in het portiek voorzichtig zijn hoofd om het hoekje te steken. De man met de fiets was al verbazingwekkend ver weg.
De man in het portiek zuchtte diep. "Wat een lul", zei hij hardop.

Rare dag

9 May 2003 | | category: schrijfsels

"'t Is een rare dag vandaag", zegt de magere man. "Vanochtend, het was negen uur en ik lag natuurlijk nog in mijn bed te rotten... wordt er gebeld. Ze vragen of ik Ruud Konings was, ik zo, ja, kom maar boven. Ik doe de voordeur open en wacht op geluid van mensen op de trap, maar ze kwamen met de lift. Ineens, die deur gaat open. Smeris. Ik schrok me rot. Maar ja, ik kon niks doen natuurlijk, dus, deur open, komt u binnen. Ik snel naar achter gelopen, alles even weggestopt. Weer terug, gaat u zitten, koffie? Nee dank u. Ja, en ik zat daar maar, wat doen die hier?"
De magere man kijkt me aan.
"Nou?", vraag ik.
"Wat?"
"Nou, maak eens af? Waar kwamen ze voor?"
"Oh, ja, euh, een parkeerboete. En die honden, ja, we hebben daar gisteravond borden neergezet dat je daar niet mocht parkeren, maar ik weet zeker dat die er gisteravond niet stonden, die hebben ze vanochtend neergezet en dan slepen he. Maar ja, ik was zo geschrokken, ik zei niks. En dan intimideren he. Ja, u kunt nu een schikking aanvaarden van 50 euro, of de zaak voor laten komen en wie weet wat er dan gebeurt."
"Klootzakken zijn het." Ik spuug op de grond. Dat past mooi bij zo'n zinnetje.
"Afijn, die gasten weg, ik, fjoe, meteen naar achteren, jointje rollen. Even bijkomen. Dus ik ga op het internet, surf naar de vacature, ja, je moet toch wat he. Kom ik een cursus tegen voor geluidstechnicus. Een jaar met behoud van uitkering. Ik, joehoe! Meteen ingeschreven. Blij. Nog een jointje gerold om het te vieren. Lag ik daar lekker stoned, telefoon. Boze mevrouw van de elektriciteitsmaatschappij. Ik meteen wakker. Die mensen kunnen me zo kwaad maken. Ik betaal te laat, krijg ik herinneringskosten. Maar toen had ik al betaald. Dus ik ga die extra kosten niet betalen. Krijg ik herinneringen voor het niet betalen van de herinneringskosten, en die kosten moet ik ook nog betalen! Eenentwintig euro, dikke lul dat ik dat ga betalen. Vet hart voor ze. Boos! Dat mens schreeuwen, ik ook schreeuwen, allebei schreeuwen. Zegt ze wacht, ik geef u mijn chef. Ik, bring 'em on! Hahaha! Ik was op dreef. Die vent, die chef, hoge toon jongen. Én ú móet dít én ú móet dát. Ik, rustig aan meneer. Ik ben de klant, ik mag op u foeteren, en u bent de dienstverlenende partij, u moet dat slikken en uw mond houden, of in ieder geval niet schreeuwen. Hij nog kwaaier. Nog meer schreeuwen. Dus ik ook weer schreeuwen. Ik, mag ik uw naam. Jazeker mag u mijn naam, die en die. En de naam van uw superieur? Ja, toen werd het stil. De naam van uw superieur alstublieft, zeg ik. Hij zo, ja zo en zo, maar bel hem maar op, hij zal hetzelfde zeggen als ik. Want ik zou die eenentwintig euro maar betalen, anders weet ik niet wat er van komt he, dan worden die eenentwintig euro wel heel erg duur. De hond man! Gaat-'ie dreigen! Die is gek! Dus ik, mooi, dan ga ik een klacht indienen, zo mag u klanten niet behandelen, dit is ongehoord! Die vent weer schreeuwen. Ik zo, luister, ik zo, luister man, kalmeer. Je kunt schreeuwen wat je wilt, ik zei al geen u meer, ik zo, je kunt schreeuwen wat je wilt, ik betaal die eenentwintig euro niet. Heb je een pen. Hij, blaah, blaaah, ik zo, meneer, menéér, heb je een pen? Hij zo, ja natuurlijk heb ik een pen. Ik zo, trek je shirt maar omhoog en schrijf maar op je buik die eenentwintig euro. Meteen opgehangen, hahaha!"
"Belde hij je niet meteen terug?", vraag ik.
"Nee. Ja, ik heb de hoorn eraf gegooid, dus ik weet niet. Misschien wel. Godverdomme man, ik had hem wel door die hoorn willen trekken, zijn kop verbouwen, lul. En net, op weg hierheen, word ik gebeld op mijn gsm. Iemand die me een baan aanbiedt. Boekhouder."
"En? Wat ga je doen? En die cursus?", zeg ik. De magere man kijkt me verstoord aan.
"Ja, ik ben nog niet klahaar." Hij haalt luidruchtig zijn neus op. "Ik zo, afhouden. Maar het leek wel of ze me per se wilde hebben, raar hoor. Ik heb wel eens wat boekhoudwerk gedaan, maar geen opleiding of zo. En meteen he, bent u flexibel? Ik zo, hoe bedoelt u, flexibel? Flexibel? Zij zo, ja, als er eens wat extra gedaan moet worden, dat u dan wat langer doorwerkt. Ik zo, ja, ik ben flexibel, als u daar dan ook iets flexibels tegenover stelt. Zij, ja natuurlijk. Ze zou terugbellen. Dus ik loop verder, fok, weer de telefoon. Zij weer. Nog geen minuut! Ik zo, ja, hallo? Zij, ja, nog eens met mij, sorry, ja, kunt u morgen komen voor een gesprek, twee uur? Ik zo, ja, morgen, donderdag? Okee. Zij zo, nee, morgen vrijdag. Ik zo, oei! De eerste indruk is alles zei ik. Zij lachen. Dus nu ga ik morgen op sollicitatiegesprek voor een baan waar ik niet op zit te wachten. Zal mij benieuwen." Hij kijkt me ernstig aan.
"Rare dag man, vandaag."
"Ja", zeg ik, "rare dag."