schrijfsels: October 2002 Archief
Verveeld
de man zat op zijn eigen toonbank toen ik de in winkel liep. hij keek verveeld, maar toen hij mij zag binnenkomen klaarde zijn gezicht op.
"hallooooo!"
"euhm... goedemorgen?" zei ik, verbaasd over zoveel hartelijkheid van de man die me normaal geen blik waardig keurde en met neergeslagen ogen het bedrag noemde dat hij verwachtte in ruil voor het pakje marlboro en de humo. ik probeer altijd te vermijden bij deze sigarenman sigaretten te kopen, nadat ik hem, met zijn zo te horen bredase afkomst notabene zelf een buitenlander hier in antwerpen, eens een paar foute opmerkingen heb horen maken over "vreemdelingen", en een dag later "het pallieterke"¹ op de toonbank zag liggen. maar vandaag was ik vergeten mijn principes mee te nemen van huis en prompt had ik geen zin om ver te lopen voor mijn benodigdheden.
"een marlboro en de humo, zeker?"
"graag," zei ik, andermaal verbaasd. ik had niet verwacht dat hij dat zou onthouden.
"ik ga verhuizen, wist u dat al? hier heeft u een papier met het nieuwe adres ja het is hier om de hoek hoor want het is hier verschrikkelijk het hele pand staat op instorten die verdomde huisjesmelkers ook gék word ik ervan meneer overal loopt water langs de muren gaten in de muur de muizen kruipen over de toonbank als ik 's ochtends de winkel open doe en ja dat kan natuurlijk niet he met al dat papier hier."
"tja..."
"en nu ga ik dus om de hoek zitten ja ik woon daar dus da's nogal makkelijk he ruimte zat ik had het al veel eerder moet... ah! dáár ben je! ik zit al een uur te wachten!," riep hij ineens naar iemand die de winkel in kwam. hij vervolgde zijn monoloog niet, maar zei dat ik hem €5,20 schuldig was. zonder me aan te kijken.
ik gaf hem een briefje van twintig, hij gaf me het wisselgeld, nog steeds zonder me aan te kijken, en liep de man achterna naar een kamer achter de winkel.
"tot ziens, en succes met de verhuizing," zei ik nog.
geen antwoord.
"hallooo!"
de sigarenman kwam terug de winkel in. hij keek verstoord.
"ja?"
"ik zei tot ziens en succes met de verhuizing."
"roep je me daar voor terug?"
"nou ja," zei ik, en liep terug de nationalestraat in.
¹ - een gratis blaadje dat gevuld wordt door ultraconservatieven en vlaams-nationalisten, om het netjes te zeggen
Mijn dagen bij de foebal
na lang aandringen mocht ik van mijn moeder dan toch nog op voetballen. ik was tien jaar en ik kon mijn geluk niet op. vier jaar judo had ik doorstaan, op bevel van diezelfde moeder. "judo is goed voor je karakter", zei ze altijd.
<afdwaling>
ik haatte judo. iedere dinsdagavond in de gong kreeg ik les van een man die wel aardig was, maar een beetje tactloos. opa vic was doodgegaan op 20 maart 1978, een maandag. de volgende dag moest ik judoën.
"ga toch maar", zei moeder, "dan ben je een beetje afgeleid."
ik had nog helemaal niet gehuild, kon het niet. ik had wel gedaan alsof, toen maandagochtend aan het ontbijt het telefoontje kwam van oom randy. ik had me zo schuldig gevoeld dat ik niet met moeder en eddie mee kon huilen, dus ik had mijn hoofd in mijn handen gelegd en huilgeluiden gemaakt. ik had wel een naar gevoel in mijn buik, maandag de hele dag en dinsdag ook. 's avonds bij judo had ik niks gezegd tegen de leraar. ik moest een oefening doen met een meisje dat drie koppen groter was dan ik, twee keer zo breed ook. ik was bang van haar, ook al omdat ze altijd zo nors deed. ik deed de oefening niet goed, ze werd chagrijniger per seconde, en de knoop in mijn maag werd strakker en strakker aangetrokken. toen ik in de houtgreep lag, mijn gezicht gesmoord in haar oksel, kwamen de tranen. ik kon niet meer stoppen. ze schrok heel erg en vroeg wat er was. ik wilde niks zeggen, wendde mijn hoofd af. ik kon sowieso niks uitbrengen, dat is nog altijd zo als ik eens een keer huil. ze troostte me, ik weet nog dat het me enorm verbaasde en ook geruststelde. de leraar kwam aangelopen en vroeg waarom ik huilde.
"mijn....opa...is....doohohohooooood."
"wanneer dan?", vroeg hij.
"gisterehehehen."
"ah joh, dan moet je nu toch wel uitgehuild zijn."
dat zei hij echt! ik kon het niet geloven. ik stond op en rende weg, naar de kleedkamer. aankleden en naar huis, als de sodemieter. en nooit meer terugkomen, dat nam ik me voor.
uiteindelijk nog twee jaar doorgejudood, twee blauwe slippen gehaald, maar niet van harte.
</afdwaling>
maar goed. voetbal dus. mijn vriendje en buurjongen rody van de post zat bij unitas. onze buurman peter was ook lid van die club. en dus gingen mijn broertje en ik ook daar voetballen. hoewel het eigenlijk de club van leur was, en wij in etten woonden.
<afdwaling>
in etten-leur bestonden destijds drie voetbalclubs [nog steeds trouwens]: sc unitas '30, internos en d.s.e. etten-leur bestond, zoals de naam al zegt, uit de dorpen etten en leur. leur was zeg maar het oude gedeelte, het oorspronkelijke dorp. etten was nieuwer en lag er tegenaan, en de meeste mensen die er woonden waren "import", veel niet-brabanders, zoals wij. internos was de club voor de geïmporteerden. de aartsvijand van unitas. wat de rol van d.s.e. was heb ik nooit kunnen achterhalen. d.s.e. was een beetje...niets, eigenlijk. of een ideale mix, ik weet het niet.
</afdwaling>
ik geloof dat het een paar jaar duurde voordat ik voor vol werd aangezien door mijn leurse medespelers. hoewel nooit helemaal, want afgezien van het feit dat ik geen brabander was, af en toe moeite had om het dialect te verstaan en geen moeite deed om mijn harde g te veranderen in een zachte, zat ik ook nog eens op de kse, een scholengemeenschap voor mavo, havo en vwo, waar het gros van mijn medespelers op don bosco zat, de plaatselijke lts. ik zag ze doordeweeks dus alleen maar op de training. niet echt bevorderlijk voor de onderlinge band. maar goed, ik had het erg naar mijn zin. eindelijk voetballen!
de eerste jaren waren leuk, onbezorgd, u kent het wel. meestal eindigde mijn elftal in de middenmoot, soms in het linker- en soms in het rechterrijtje. ik was altijd wel jaloers op mijn broertje ed, die zo ongeveer ieder jaar kampioen werd. maar goed. ik hield van de club, de leiders van de elftallen en dan vooral jack martens [die nog eens een bandje voor me had opgenomen met nick cave, lene lovich en the the, en in amsterdam had gestudeerd waar hij stamgast was van een café met de welluidende naam "de engelse reet" in de begijnensteeg], de tweeling corrie en borrie die het hele zootje zo'n beetje bij elkaar hielden, en ook het hockeyveld naast het unitasterrein waar mijn huidige lief anniek speelde. het was er gezellig.
na een paar jaar kwam ik in het c2-elftal terecht. ik begon geweldig aan het nieuwe seizoen, zo goed had ik nog niet eerder gevoetbald. scoorde veel, en dat als linksbuiten. het was de hoge heren ook opgevallen, en twee maanden in het seizoen werd ik gesommeerd me bij c1 te vervoegen.
c1, daar voetbalden de grote jongens. allemaal een jaar, sommige twee, ouder dan ik, groter, sterker, stoerder en moediger ook. ik was geïntimideerd. het waren ruige gasten, vooral het groepje rond de tweeling dennis en corné ["des" en "kee" voor intimi], met daarin erik broers, of broere, en een gast die jaspers heette van achteren. die maakten de dienst uit in het elftal. daar hing dan weer een groepje "mindere goden" tegenaan, vervolgens een groepje met jongens die wat vriendelijker waren, en ik. de eerste paar wedstrijden gingen nog wel, maar al snel was ik zo geïntimideerd dat ik minder goed ging spelen. ik voelde me klein vergeleken bij die jongens, ik deelde hun gevoel voor humor niet, begreep ook meestal niet waar ze het over hadden, want ze praatten allemaal erg plat. en het was ook vaak matten op het veld. ze spuugden naar tegenstanders en naar de scheids, schopten vaker tegen benen dan tegen de bal. we verloren vaak, en dat leidde tot bekvechten op het veld, onderling. ik vond het maar niks, ik miste de gezelligheid van c2, werd steeds ongelukkiger. ik maakte mijn gevoelens kenbaar aan de coach van c1, cees luijkens heette die geloof ik. ik vroeg hem of ik niet terug kon naar c2. nul op het rekest, en na een paar keer vragen was het met een "je speelt in c1 of je speelt helemaal niet" afgelopen.
intussen waren de jongens van c1 erachter gekomen dat ik liever niet met hen in één elftal speelde dus het werd erg gezellig in de kleedkamer. uiteindelijk speelde ik als een natte krant en werd ik [toch nog] teruggeschopt naar c2. maar mijn seizoen was naar de klote.
het jaar erna werd c2 c1, en de mannen van c1 gingen over naar de b-junioren. het seizoen ging goed, en het jaar daarop werd c1 b2. weer een jaar later viel ons team uiteen en kwam ik bij b1 terecht. ik zat weer bij het ruige elftal. inmiddels was ik natuurlijk ouder en was mijn huid wat dikker, en het ging redelijk goed, hoewel de mannen nog steeds beter konden ouwehoeren en rotzooi trappen dan voetballen, met de bijbehorende resultaten voor de stand in de competitie.
het werd echter steeds erger met het vechten. bijna iedere wedstrijd werd er wel iemand uit het veld gestuurd, en de lol was er voor mij compleet af. ik besloot de club te verlaten aan het eind van het seizoen, ook al betekende dat dat ik helemaal zou moeten stoppen met voetballen, want ik had geen zin om naar omliggende dorpen als sprundel, hoeven of st. willibrord te fietsen om te kunnen voetballen, en bij internos of d.s.e. spelen was geen optie. dat was zoiets als een ajacied die bij feyenoord gaat spelen, onvergeeflijk.
<afdwaling>
in die tijd had meneer martens van aardrijkskunde me een keer apart genomen op school, en uitgelegd dat hij het zo jammer vond dat een intelligente jongen als ik, iemand die op het vwo zat, tussen die lts-ertjes van unitas voetbalde. meneer martens was een hoge pief bij internos. met zo'n houding is het enige dat iemand bij mij kan bereiken een grote afkeer van hem of haar, en alles waar die persoon voor staat, ook toen al. ik heb een grote hekel aan elitisme. niet goed voor de verstandhouding tussen meneer martens en mij, dus, die lijmpoging.
</afdwaling>
ik hield er nog eerder mee op dan gepland. het was geloof ik een wedstrijd tegen kruisland, en één van de gebroeders nouws had een tegenstander tegen de grond gewerkt. hij werd heengezonden door de scheids. maar hij ging niet. in plaats daarvan stapte hij op de arbiter af en sloeg hem op zijn bek.
het was het einde van mijn voetbalcarrière. de wedstrijd werd uiteraard gestaakt, we gingen douchen, de mannen gingen naar de kantine en ik stapte op mijn fietsje, reed naar huis, om nooit meer een voet te zetten op unitasbodem.
De trip
"Laten we daar wat gaan drinken."
Bij "wat te drinken" hoort in deze stad ook wat te eten. We hebben geluk, in deze tent mogen we zelfs kiezen wat we bij onze biertjes krijgen.
"Als het maar vet is."
"Dat je erin bijt en dat dan de olie langs je kin en hals naar beneden loopt, zodat we de rest van de avond een hardnekkige vlek bij de kraag..."
De ober is al weg.
"Geen gevoel voor humor."
"Je moet ook niet zoveel ouwehoeren."
Aan het tafeltje naast ons zitten vier oudere mensen, twee mannen en twee vrouwen. De mannen zijn behangen met goud en hebben dure pakken aan, de vrouwen zijn afschuwelijk opgetut, en dragen al net zoveel glinsterende dingetjes met zich mee.
"Tante Poes en haar zus op stap met de gebroeders Rinus en Hannes."
"Tante Poes en haar zus verdienen zo te zien een centje bij."
"Ja?"
Gonzo kijkt me spottend aan.
"Jij bent niet zo snel, he?"
"Al jaren niet meer."
Het café is verlicht met tl-licht, en naast de spiegels die de hele zaak rond aan de wanden bevestigd zijn hangen leeslampjes. De spiegels zijn gelig, met bewegende vlekken erop, een beetje als de aanslag die je op koperen potten ziet. Wel gek, dat ze bewegen, die vlekken. Camarón de la Isla klinkt op de achtergrond, en de lucht is zwaar van de bakolie.
"Onze kleren zullen wel lekker ruiken zometeen als we hier weg .... hé! Voel je je wel goed?"
"Ja, hoezo?". Hij ziet een beetje groen.
"Je ziet een beetje groen."
"Het licht."
"O."
De ene hoer zit Rinus flink op te geilen daar aan dat tafeltje. Ze heeft een hard en afgeleefd gezicht. Gemeen, zelfs. Wat een lelijkerd. Zo bruin ook, van dat vieze zonnebankbruin, en veel te veel make-up. Ze glimt helemaal. Die andere ziet er veel vriendelijker uit. Ze begint ineens te snikken. Hadden we het toch fout. Hoeren beginnen toch niet te janken als ze aan het werk zijn?
"Dat vind ik wel een beetje bot, hoor", zegt ze tegen Hannes. Die verdedigt zich wat lafjes, zegt dat het allemaal zo erg niet was wat hij haar net kennelijk heeft toegefluisterd.
"Wat vreemd dat ze zomaar begint te huilen."
"Wat?" Gonzo kijkt een beetje verstoord. Hij was duidelijk niet met het tafeltje naast ons bezig. Maar waarmee dan wel?
"Neuh, niks." Ik kijk weer terug naar onze vier buren. Ben ik nou gek, of zien ze er anders uit? Ze zitten te discussiëren. Rinus en zijn gemene hoer tegen Hannes en zijn lieve. Rinus laat zich kennen als een echte klootzak. Ik versta niet alles maar het komt erop neer dat hij vindt dat de lieve hoer haar smoel moet houden en gewoon moet doen wat haar verteld wordt. Daar wordt ze tenslotte voor betaald. Hannes ondertussen probeert de boel wat te sussen.
"Natuurlijk, er zit een dure maaltijd in zijn maag en in die van zijn zachte hoer, om over de kale huur van de juffrouw nog maar niet te praten."
"Hè? Waar heb je het over, man?"
"Rinus en Hannes, kijk dan, hun avond dreigt in het water te vallen."
Gonzo kijkt naar de vier en weer terug naar mij. Hij kijkt een beetje scheel. Vreemd, dat was me nog nooit opgevallen.
"Laten we gaan", zegt hij. Hij stinkt uit zijn bek.
"Wat? We hebben onze hapjes nog niet."
"Kom op man, ik kan hier niet tegen. Bovendien kots ik het straks toch allemaal weer uit."
"Nou ja zeg."
Rinus heeft inmiddels een sigaar opgestoken. "Dat past wel bij hem", denk ik. "Mannen met sigaren zijn klootzakken." De lieve hoer is nog altijd aan het snikken, terwijl de Hannes zachtjes op haar inpraat. Ik loop langs hen heen de zaak uit. "Redden wat er te redden vat, jong", zeg ik tegen Hannes. Rinus kijkt me aan, maar Hannes hoort me niet.
Gonzo komt achter me aan.
"Laten we naar Dos de Mayo gaan", zegt hij.
"Okee." Pffff, wéér naar Malasaña. Nou ja.
Het terras zit vol, maar we vinden een tafeltje. Ik moet even goed kijken voordat ik kan zitten. De stoelen staan helemaal scheef, doordat de poten niet allemaal even lang zijn. Die rare Madrilenen ook met hun zogenaamd hippe gedoe.
"Ze hebben andere stoelen aangeschaft."
Gonzo begint te lachen. Onbedaarlijk te lachen.
"Ze hebben andere stoelen aangeschaft", doet hij me na, hikkend van het lachen.
Ik moet ook lachen. Ik val bijna uit mijn stoel.
"Wat is er met dat licht man?", vraag ik als ik bekomen ben.
"Het beweegt hè? Goed."
"Zie je de schaduwen van die bomen?"
Dani, de ober, komt bij ons staan.
"Jezus hee, heb je gezopen of zo? Fuck man, wat een kegel!"
"Feestje. Binnen. Wat willen jullie?", zegt Dani.
"Cola. En hij ook."
Gonzo heeft zijn ogen dicht en een grote grijns op zijn gezicht. Wat kan hij er soms stom uit zien, met die gele tanden van hem.
"Staat wel mooi, dat groen, bij die gele tanden", zeg ik terwijl ik hem aanstoot.
Hij schrikt op. "Groen?"
"Ja, je gezicht. Je gezicht is groen." Ik voel weer een slappe lach opkomen maar ik hou me in. Mijn tanden klapperen en ik hoor een gezoem in mijn rechteroor. Ik kijk naar de kinderen die even verderop aan het voetballen zijn. Ik vraag me af hoe ze de bal nu kunnen zien, met dit licht en al die bewegende schaduwen. Ik zie een paar gele slangen, adders denk ik, over de stoep schuiven. Het is druk om ons heen. "Vijhonderd", zegt iemand. Er zit een ongelofelijk mooi meisje een paar tafeltjes verder. Prachtig ravenzwart lang haar, en wat een ogen. "De mooiste meisjes van Europa", zegt een stem. "Yep." Waarom zitten dat soort meisjes altijd op terrasjes met van die lelijke kerels? Oei, ik moet opletten dat ze niet merkt dat ik naar haar kijk. Genant is dat. Mijn ogen dwalen over het terras, maar op de één of andere manier rusten ze om de drie seconden even op haar. Ze ziet het. Shit. Ik kijk terug naar ons tafeltje. Er staan twee glazen cola en er ligt een bonnetje onder een schoteltje met olijven. 500 peseta's voor twee cola's. Gonzo is weg. Ik neem een slok en probeer een ijsblokje in mijn mond te laten glijden. "Dat ziet er belachelijk uit, dat weet je toch wel he?" Met het glas aan mijn mond kijk ik om me heen. Fuck, het ijsblokje blijft steken. Uit mijn ooghoeken zie ik verschillende mensen mijn kant op kijken. Iets wijder mijn mond. Daar. Het tikt tegen mijn tanden, en plotseling hoor ik een hoge toon, keihard, van mijn rechteroor naar mijn linker gaan. Ik spuug het op de grond naast me.
"Wat doe je nou?" Gonzo is terug.
"Waar was je?"
"Geld wisselen voor de automaat." Hij gooit een pakje Fortuna's op de tafel en gaat zitten.
"Die dikke was binnen."
"O, moet-'ie niet draaien vanavond?"
"Zometeen."
"Gaan we langs?"
"Tuurlijk."
Er klinkt een sirene. Heel kort. Een brandweerwagen komt langsgereden, maar zonder veel haast. Hij stopt niet voor de slangen, die inmiddels van de stoep de straat op geschoven zijn, maar op de één of andere manier overleven de beesten het.
"In plaats van gewoon toeteren", zeg ik.
"Wat?"
"Die brandweerwagen. Hij laat zijn sirene met korte stoten loeien, in plaats van te toeteren." Het gevaarte rijdt wel erg langzaam. De brandweermannen achterop de wagen zwaaien. Ik zwaai terug.
Het terras loopt leeg.
"Zullen we dan maar?", vraagt Gonzo.
Ik drink mijn glas snel leeg. Hoe lang zijn we hier geweest? Gonzo zegt nog iets tegen Dani, die lacht.
"Tot later", zegt Dani tegen me.
"Jo."
De Tupperware is bijna leeg. De dikke draait zijn gebruikelijke punkplaatjes. Ik loop naar de bar en kijk naar het barmeisje. Ze leest iets. Achter haar staat ze zelf op de muur afgebeeld, tussen haar twee zussen in. Ook al zo mooi. De muurschildering beweegt langzaam, en er zit ongewoon veel echo in dat Stooges-nummer.
"Heb je de echo open staan?", vraag ik aan El Gordo.
"Waaat?"
"Of je de echo open hebt staan!"
"Echo? Ik draai punk hoor. Niks echo, het is hier geen disco. Wil je een lijntje?"
"Nee man."
"Homo. Wat wil je drinken?"
"Twee biertjes. Wat was dat voor feestje op Dos de Mayo?"
"Hoe weet jij dat?"
"Gonzo. Ik zat op het terras."
"O. Gewoon, een feestje."
Ik loop met twee flesjes Mahou in mijn handen terug naar Gonzo, die op het biljart is gaan zitten. Weer die stompzinnige grijns op zijn gezicht. "Aaah, lekker."
De deur gaat open en twee jongens komen binnen. De ene heeft een hele rare kop. Zijn haar zit op zijn hoofd geplakt en hij heeft enorme bakkebaarden, en twee gigantische hazentanden. En een bril. "Hij lijkt op Calimero met bakkebaarden", zeg ik tegen Gonzo.
Gonzo begint te lachen. "Ja, inderdaad."
Calimero komt naar ons toe. Fuck, hij heeft me gehoord. Ik zet me schrap.
"Hee, Gonzo, lang geleden", zegt hij.
"Hipo, dit is Dave, Dave, Hipo."
"Hipo?"
"Van Hipólito", zegt Calimero. "Ik ken jou wel."
"Kan niet."
"Hoezo?"
"Ik woon hier nog maar net."
"O."
Ik moet weer lachen, en mijn tanden klapperen nog harder dan eerst. Het gezoem is ook weer terug. Calimero kijkt me aan, alsof hij ergens op wacht, maar ik heb geen idee waarop dus ik hou verder mijn mond.
"Nou, ik zie jullie nog wel he."
"Jo."
De muurschilderingen zijn geweldig. Fel oranje, fel blauw en geel, en de priemende zwarte ogen van de drie zussen, die tegen me lijken te praten met hun bloedrode monden. Rond hun hoofden kronkelen dezelfde slangen als die ik eerder op het terras zag. Die beesten zijn overal. Ik zeg tegen mezelf dat dat onmogelijk is, het zijn immers muurschilderingen. Maar het geeft niks. Alles is okee. Ik voel me alsof ik in warm water drijf, terwijl die dikke de ene rauwe en echoënde punkplaat na de andere draait. Wel gek dat ik mijn ogen niet stil kan houden, en mijn tanden klapperen weer.
Ik weet niet hoe lang we er al zijn, maar Gonzo wil weer weg. "Laten we naar No Fun gaan", zegt hij.
Ik vind alles best, dus ik volg hem de straat op. Het barmeisje zwaait naar me, en ik zwaai terug.
Het is gigantisch druk. Auto's en brommers, en een massa tieners die op de stoepen zitten, de meesten met grote flessen cola en tetra briks van Don Simón naast zich. Voor de kalimotxo (*). Gonzo loopt sneller dan ik, ik heb moeite me door de massa mensen heen te wringen. Ik voel onrust. Vóór mij hoor ik ineens geschreeuw boven het lawaai van de mensen en auto's uit. Ik zie een busje naderen van de Nationale Politie en eromheen lopen wat jonge gasten naar de mannen in het busje te joelen. "Politie, moordenaars", zingen ze. Iemand roept "Leve ETA!". Ik lach maar probeer niet teveel om me heen te kijken. Het is al moeilijk genoeg om recht vooruit te lopen. Het geluid is soms helder, en soms één grote echoënde en anderszins vervormde brij. Plotseling staat Gonzo voor me.
"Gaat het?"
"Ja hoor."
Hij lacht. "Wat een zootje he?"
In het gedeelte waar No Fun ligt is het een stuk rustiger. Er staan wat gasten bij de deur, die Gonzo begroeten. Ze lachen, en kijken ook naar mij. "Hallo hallo, hier aarde, ontvangt u mij?", roept er één. Iedereen lacht. Ik ook, maar ik vraag me tegelijkertijd af hoe ze dat zo snel in de gaten hebben gekregen. We lopen toch niet echt te zwalken of zo.
Binnen is het stampvol, maar ik hoor geen muziek. Ik kijk in de richting van de DJ-cabine, waar de Haai staat. Hij kijkt me aan, en dan knalt "Waiting for the Man" keihard uit de speakers. De Haai kan niet meer stuk voor mij, net als deze avond. "Goeie zet, om hierheen te verhuizen", zeg ik tegen mezelf, maar ik hoor het niet eens door het lawaai om me heen. Gonzo stopt een flesje Mahou in mijn handen. Ik hoef geen bier meer. Ik hoef helemaal niks meer. Ik laat het bier uit het flesje lopen, niemand die het zal merken in deze wild dansende menigte. Ik hang wat tegen mensen aan, doe mijn ogen dicht. "Heeeeeeeeee!" roept iemand in mijn oor. Ik doe mijn ogen open. Het is het meisje van het terras. Wat is ze mooi. "Je geeft licht", zeg ik tegen haar.
"Waaaat?"
"Je geeft licht!" Ik ruik aan heur haar. Zoet. Ze gebaart dat ze me niet verstaat en haalt haar schouders op. Ze lacht, en danst verder.
"Oh well", zeg ik, en sluit mijn ogen weer. De muziek stroomt door mijn lichaam, de rillingen lopen over mijn rug. Ik merk dat het niet uitmaakt of ik mijn ogen open of dicht heb, ik zie steeds dezelfde dansende kleuren, neonflitsen. "Het lijkt wel een film", zeg ik, weer tegen mezelf. "Een videoclip!" De mensenmassa wordt een waas, ik probeer tijdens het dansen te draaien om niet de hele tijd dezelfde richting uit te kijken. Ik zie er vast belachelijk uit. "Denk je nou echt dat iedereen op je zit te letten? Zo belangrijk ben je niet hoor, maak je maar geen illusies." De stem verdwijnt in het lawaai van Iggy's "TV Eye", en ik begin hard mee te schreeuwen. Ik sta onder stroom.
Als we buiten komen is het licht. Gonzo woont om de hoek en ik heb eigenlijk wel zin om bij hem op de bank te gaan hangen. Ik voel me vreemd, leeg maar niet moe. Mijn tanden klapperen nog steeds een beetje. Gonzo staat nog even met de portier van No Fun te praten. Ik ga zitten in een portiek aan de overkant, maar Gonzo komt al aangelopen.
"Kom op, we gaan. Je kunt wel bij mij slapen."
"Okee, vind ik een goed idee."
"Wel op de bank he, ouwe nicht."
Ik moet lachen maar door mijn klapperende tanden en het gezoem in mijn oren kom ik niet verder dan een "dzzz-zzz-dzzz". Laat ook maar.
Bij Gonzo thuis moet ik naar de plee. Voor het eerst in de hele nacht, bedenk ik me ineens. Ik giechel. Ik heb geen zin om te staan dus ik laat mijn broek zakken en ga zitten. "Mijn moeder zou trots op me zijn", denk ik. De vloer golft een beetje, en als ik mijn ogen iets anders focus, zie ik duizenden zwarte stipjes krioelen, als een legioen mieren. Zodra ik beter kijk verdwijnen ze weer. Ik buig wat dichter naar de grond. Geen mier te zien.
Vreemd.
(*) Kalimotxo is een mengsel van cola met rode wijn
[dit verhaal verscheen oorspronkelijk in de pen, voorheen op tussen haakjes]
A fortunate son
ik leerde lee kennen bij comforte in madrid, 1994. in de eerste week klikte het; twee noordeuropeanen in een mediterraans land, dat werkte wel. maar al snel begonnen we elkaar te irriteren. lee voelde zich bedreigd door mij. tot ik kwam was hij degene die het meeste van muziek wist, de meest open mind had van iedereen die bij comforte werkte, en hij was het aanspreekpunt wat betreft de buitenlandse contacten. toen kwam ik, die minstens net zo veel met muziek bezig was als hij, en net zo open stond voor alles wat met muziek te maken heeft. daarbij kwam dat ik waarschijnlijk wat makkelijker in de omgang was dan hij, of in ieder geval wat beleefder. punk as fuck, dat was lee, en sommige mensen konden daar niet zo goed mee om gaan. toen kwam het jonge hollandertje dat altijd "meneer" zei en bovendien direkt in contact stond met het hoofdkantoor in nederland, en dat viel in goede aarde. de relatie tussen lee en mij verslechterde. hij was mijn "meerdere", en hij liet dat op steeds ergerlijker wijze weten. tot het punt waarop hij me niet langer met respect behandelde, maar me gewoonweg afblafte als de eerste de beste sukkel.
een aantal zeer hoog oplopende discussies waren het gevolg, steevast eindigend in slaande deuren bij het woordeloze vertrek van één van ons twee. tot de dag dat ik overkookte.
het was iets onbenulligs waarschijnlijk, maar er werd wat geschreeuwd, waarop ik zei dat hij normaal tegen me moest praten. het antwoord "jij bent maar een sukkel en je hebt te doen wat ik zeg en daarmee uit" deed het hem. ik draaide me naar hem toe en gooide zijn bureau omver. terwijl hij klem lag tussen de vloer en de tafel, boog ik me over hem heen en siste [ja, ik siste. ik was boos. sleep me maar voor het gerecht] dat hij nooit, maar dan ook nooit meer op die manier tegen mij moest praten want dan zou ik zijn kop van zijn romp trekken. ik meende het ook nog.
in de dagen die volgden sprak ik niet tegen hem. letterlijk. hij vroeg me om op zijn minst professioneel te zijn en in ieder geval het noodzakelijke tegen hem te zeggen om ons werk goed te kunnen doen. ik weigerde. mijn trots was gekrenkt, en als het eenmaal zover is, dan draai ik niet snel bij. gesprekken [apart van elkaar, natuurlijk] met de baas, waarin men de boel met woorden probeerde op te lossen, hielpen niet. ik was al van plan om een andere baan te zoeken, want met lee spreken zou ik niet meer doen.
na een week was er een concert van redd kross in de revolver in het centrum van madrid. ik ging erheen, met een aantal collega's. ik had net een envelopje met papertripjes ontvangen uit nederland en ik was van plan om eens flink naar de klote te gaan. hetgeen geschiedde.
lee was er ook. dronken als een maleier. na het concert sprak hij me aan. "talk to me". "you smell of booze", waren mijn eerste woorden tot hem gericht na een week. ik was hevig aan het hallucineren, maar ondertussen toch nog genoeg bij zinnen om te beseffen dat het allemaal een beetje uit de hand was gelopen, die ruzie tussen ons. we gingen zitten en hij begon me met dikke tong uit te leggen dat hij me zeer waardeerde. dat ik de enige was binnen het bedrijf met wie hij op een normale manier over muziek kon praten. dat ik op dezelfde lijn zat als hij. dat ik een ego had dat minstens zo groot was als het zijne. en terwijl hij tot me sprak bedacht ik me dat ik net zo over hem dacht. ik zei het hem, waarop hij vroeg waarom we dan in godsnaam zo'n ruzie maakten. "omdat jij een ego hebt dat minstens zo groot is als het mijne" was mijn antwoord.
na die avond waren lee en ik de beste vrienden. we werkten perfect samen, we tripten samen, we gingen naar concerten en haalden nachten door in de louie louie, de no fun en de tupperware. hij vertelde me in geuren en kleuren over zijn belevenissen bij de straathoeren van de calle del desengaño, hoe hij zich na het betalen van 3000 pesetas aftrok boven de tieten van madrid's beroemdste tippelaarster, een dame van in de zestig die er uitzag alsof tante poes de baan op was gegaan nadat het café gesloten was, en die wij "lola tomillo" noemden, naar het liedje dat patrullero mancuso over haar geschreven had. hoe hij met zijn vriendin sol op doordeweekse nachten naar de parenclubs van de stad trok om daar met andere vrouwen te neuken, terwijl zij aan de bar een wijntje dronk. "ja, je mag nu eenmaal niet alleen naar binnen in zo'n club", zei hij dan. en "die domme macho-spanjaarden, geweldig zijn ze. ik vraag aan zo'n vent of ik met zijn vrouw naar bed mag, dan zegt hij steevast 'ja'. als hij hetzelfde aan mij vraagt zeg ik dat hij dat maar aan sol moet vragen. die zegt altijd 'nee', maar intussen lig ik al op zijn vrouw, heheh".
op een zondagmorgen liep ik de over callao toen ik hem tegenkwam. hij had een tas in zijn handen van een bekende damesschoenenwinkel. "ik ga vanavond naar een fetish party", zei hij. "inkopen gedaan." hij haalde een doos uit de tas en liet mee een paar enorme pumps zien met stilettohakken. "someone's gonna suck on them tonight".
lee robinson. wat een geweldige gast. op 27 december 2001 is hij op 44-jarige leeftijd doodgegaan aan kanker.
zo gaat dat.
[ter nagedachtenis aan lee robinson]
Lowlands 1994
Lowlands 1994 werd in het Amsterdamse dagblad Het Parool een vlekkeloos festijn genoemd, dat de geschiedenis in zal gaan als het Kralingen van de Nix-generatie.
Waarschijnlijk had de krant gelijk.
Hoewel er voor mij persoonlijk zaken voorgevallen zijn die een dompertje op de feestvreugde vormden.
Allereerst kwamen wij, dat zijn mijn goede vriend Jeroen L., mijn vriendin Francien, een Bas en een Arnout, te laat op het festivalterrein aan om een van mijn favorieten, Helmet, nog te zien. Ik liep het veld op tijdens de eerste klanken van Morphine, die uit de grootste tent, voor de gelegenheid Alpha gedoopt, kwamen.
Ik wist niet dat die zouden spelen, maar Soundgarden was helaas uitgevallen, dus werd het programma wat aangepast. De man die het geheel in Alpha presenteerde, Willem Venema himself, bezwoer het publiek dat Morphine geen vervanger was van Soundgarden. Ik geloofde hem direct. Waarom deze band zo populair is, zal waarschijnlijk altijd een geheim blijven voor mij. Voor mij heeft dit combo niets extra's, of het moest de sax zijn. Nou ja. Misschien hou ik wel helemaal niet van muziek.
Ik begaf mij dus richting de allerverste tent, Bravo, om daar verrast te worden door een schitterend optreden van Dread Zone. Loodzware dubklanken vermengd met stevige beats en een toefje ambient, GEEEEEIIIIIL!!!!
Hoog tijd voor zo'n fijn postzegeltje, gedrenkt in zuur, mij zo vriendelijk ter beschikking gesteld door vriend en goeroe Mark P. Ik liep naar tent Charlie, om te zien of daar nog iets interessants te beleven was, en onderweg passeerde ik Alpha weer, waar intussen Afghan Wigs bezig waren het verwende Nederlandse publiek te vermaken. Mijn verwachtingen over dit optreden waren niet al te hoog gespannen, daar ik ze op Pinkpop reeds heb mogen aanschouwen, waar naar mijn bescheiden mening bleek dat de Wigs beter tot hun recht komen in een zaaltje dan voor een publiek van enkele tienduizenden (cliché, cliché). En zie, wat mij betreft kon ook het op Lowlands getoonde niet opboksen tegen, pak 'em beet, Paradiso afgelopen voorjaar.
Na een tijdje had ik het wel gezien, dus vervolgde ik mijn weg naar Charlie. Maar wat ik hoorde was niet opgewassen tegen mijn hardnekkige vooroordeel over het programma in die tent, zoals ik het afgedrukt had zien staan in de prachtige Lowlands-special van het toonaangevende muziekblad OOR: te late en dus mislukte grunge-aftreksels. Dáár hoefde ik me de rest van de avond geen zorgen over te maken.
Ik liep een tijdje rond, en na een rondje keerde ik terug naar Alpha, waar Henry "Superman III, dat ben ik!" Rollins alweer klaar stond om de kinders in de kloten te schoppen. De acid was al behoorlijk aan het werk daar tussen mijn oren, en ik kan U vertellen meneer, dat is een vreemde gewaarwording, Thing op het podium tekeer zien gaan als was het de Dag Des Oordeels, met die wreed vervormde muziek die mijn hersens penetreerde en honderden kids om mij heen die alle kanten uitsprongen, en vooral dwars door mij heen. Een gevoel van gelukzaligheid drong tot mij door, dit is leven!
Gauw zweefde ik naar Bravo, waar ik nog net een stukje Quazar meekreeg. Ze hadden maar een half uurtje gespeeld, wel een beetje kort, maar ach, er draaide een goede DJ om de boel op te warmen voor het optreden van Darren Emerson en zijn vriendjes, die ook wel onder de naam Underworld opereren.
Ik danste vrolijk rond op de psychedelische houseklanken die uit de speakers basten, en de tent stroomde langzaam vol met lui van allerlei slag. Intussen werd het podium bevolkt door technici die de laatste hand legden aan het decor voor Underworld, en de dansers warmden zich op. Ik meende heer Emerson ook al op de planken te ontwaren, maar het kan ook mijn hallucinatie zijn geweest.
De show begon. Eerst bouwden ze de boel op, heeeel langzaam, met stukken uit de remixen van 'Skyscraper' en ander spul. Ongemerkt namen de heren ons mee naar boven, het was iets wat ik bijna niet uit kan leggen. De kombinatie van muziek, lichten en acid brachten bij mij een ongekende sensatie teweeg. Ik sloot de ogen en zag de meest fantastische dingen voorbijtrekken, of eigenlijk, ik zag ze niet voorbijtrekken, ik zat er midden in! Ik zweefde over oranje landschappen, ik bevond mezelf plots midden in Doom, het door mij en vriend Jeroen zo vaak en intensief gespeelde komputerspelletje waarin je een ontsnapte gevangene bent die met allerlei nazi's en monsters en duivels moet afrekenen alvorens uit het gigantische komplex te kunnen komen. Natuurlijk was ik onsterfelijk in dit spel.
Als ik af en toe om me heen keek zag ik mannetjes met Offspring t-shirts aan net zo bedwelmd te keer gaan als de vele in hippiekleren gehulde meisjes. De ultieme samensmelting van muziekstijlen, dat was waar dit festival voor stond, zo werd mij op dat moment duidelijk. Het was gewèèèldig.
Toen Underworld klaar was ging de muziek zachter voor wat akrobatische groepen die achter in de tent acte de presence zouden geven. Daar heb ik, hoe ik ook zocht, niets van gezien, tenzij hetgeen ik zag wél echt was, en geen hallucinatie, zoals ik aannam. Ik liep naar buiten en genoot van de kleuren, de wolken, de lichten aan de overkant van het water, waar Walibi Flevo was, en vooral van de bomen, ook aan de overkant. Die bomen, die waren mooi zeg. Ondertussen werd de muziek weer opgepompt. Ik werd wreed wakkergemaakt door een 15-jarig kaal stuiterend mannetje dat mij XTC wilde verkopen. Nee, natuurlijk niet, gek, hahaha.
Later liep ik de Bravo tent weer in, maar de sfeer werd voor mij een beetje verziekt door alle dealers die daar hun spulletjes probeerden te slijten, en door de mensjes die daarop in gingen. Hoog tijd dus voor een rondje Alpha, waar vooral veel metal, grunge en hiphop (in die volgorde, van originaliteit was bij de heren DJ's helaas geen sprake) werd gedraaid. Intussen was ik Jeroen tegengekomen, die alweer grotendeels bekomen was van zijn ruimtereisje. Hij had een halve trip en was bijna beneden, terwijl ik nog lang onderweg was met mijn volle. We liepen gezamenlijk door de tent en over het terrein, en Jeroen beweerde lachend dat mensen een hoop plezier aan mij beleefden terwijl ik daar over imaginaire maankraters en -stenen stapte. Een tijd later was ik Jeroen ineens kwijt, en ik liep naar de Pers/VIP-tent, ik had tenslotte niet voor niets zo'n gezellig fluorescerend oranje polsbandje gekregen. "Zo normaal mogelijk doen", dacht ik toen ik op de portiers afliep, "straks denken ze nog dat ik iets geslikt heb ofzo". Binnen trof ik Russell P., mijn vriend en kollega bij AFM. Russell was dronken, en zat aan tafel met Bambi B. en een andere juffrouw, heel erg pers te wezen. Ik schatte mijn kansen om La B. te kunnen penetreren die avond op nihil, dus het duurde niet lang of ik keek verveeld voor me uit. Russell liep al snel met me mee naar Alpha, waar we het weer op een dansen zetten.
Ik weet niet meer hoe we Jeroen weer tegen zijn gekomen, maar uiteindelijk kwamen we terecht in de uiterst droevige 24-uursbar, waar we ons vrolijk maakten over iedereen, en iedereen zich waarschijnlijk over ons. Tot vroeg in de ochtend (de zon kwam op) daasden we over het kampeerterrein, onzin uitbrakend (Russell had inmiddels ook kennisgemaakt met Mark P.'s idee van entertainment) en pogingen tot tentduiken ondernemend. Uiteindelijk heb ik nog wat geslapen.
Maar niet te lang, want om kwart over 1 de volgende dag was het Motorpsycho-tijd in Bravo. Opgetogen en na een stevig ontbijt liepen we die richting uit. Ondertussen was mij het vervelende gevoel bekropen dat ik de connectie met Francien verloren had, en in mij woedde een strijd tussen toegeven aan en teruggaan naar. Ik had haar gezien toen ik terugliep van de wastent. Ze had de nacht doorgebracht in de tent van Thomas, een zweedse vriend van haar die ze via Sushy in Amsterdam kende. Het zat niet goed. Niet dat die Thomas er iets mee te maken had, hoor, hoegenaamd niet. Maar ik twijfelde tussen mijn eigen gang gaan en het festival meer met haar doorbrengen. En diep in mijn hart wist ik dat ik voor het eerste zou kiezen. En dat Francien dat ook zou doen, want ik bespeurde ook bij haar twijfels.
Goed, Motorpsycho dus. We hadden iets zwaars verwacht, maar we hadden kunnen weten dat dat niet zo zou mogen zijn. Akoestisch, niks zwaar! En zo hoort het ook. Er werden een hoop nieuwe nummers gespeeld ("We're kind of exciting in that way", merkte zanger Bent scherp op), en ik vond ze mooi, ondanks het slechte geluid. Het irriteerde mij dan ook wat Bas later zei over die nieuwe nummers. Hij had net gezegd dat hij het niet zo goed vond, en ik stootte Jeroen aan. "Hoor je dat, hij kraakt Motorpsycho af, dood moet-ie, DOOOOOOD!!!" Waarop Bas meende te moeten opmerken dat hij ze niet afkraakte, hoor. Als hij ze af wilde kraken zou wel over de arrangementen en de komposities beginnen. De arrangementen en de komposities? Give me a break, man! Alsof die band je in je kloten wil raken met goede arrangementen en komposities! Ik vroeg Bas of hij dat soort Joe Satriani-praatjes voortaan niet in mijn bijzijn wilde spuien.
Na de koffie was het tijd voor de Genitorturers. Dat scheen nogal sensationeel te zijn, niet zozeer vanwege de muziek als wel door de live piercings, anale penetraties en andere mooie dingen die Here God onze Vader ons gegeven heeft om ons te vermaken in verloren nachten, die er op het podium plaats zouden vinden tijdens de shows. Ik begaf me in die richting, plaats van handeling was opnieuw Bravo, maar onderweg zag ik dat de weg nogal verstopt zat. Daar had ik niet zo'n zin in, dus Geni zou het zonder mij moeten stellen die dag. Dan maar Offspring, in Alpha. Vanwege mijn werk kan ik eigenlijk geen Epitaph meer horen, maar dat was ik vergeten toen ik de tent inliep. Niet voor lang echter! De band begon en meteen werd ik met de neus op de feiten gedrukt. Weg hier! was het motto. Terug naar de tent waar we koffie hadden gedronken. In Charlie was niet veel bijzonders aan de hand. Ik liep wat verloren rond, nog steeds met twijfels over het voortbestaan van de as Dave-Francien. Ik zag Darryll-Ann in Alpha beginnen, heb geprobeerd dat langer dan drie nummers uit te houden, maar ik haalde het net niet. Waarom is Darryll-Ann zo populair? Wat is er bijzonder aan die band? Wie het weet mag het zeggen. Ik ging in ieder geval naar Man Or Astroman? kijken, dat was een stuk amusanter. Ik zag daar ook die fijne mensen van Semaphore Nederland, Gerry en William en Lien en zelfs Joanna, die mij openbaarde dat zij haar fluorescerend oranje polsbandje voor mij had opgegeven, waarop ik, waarschijnlijk een uitvloeisel van de lovedrug, een andere verklaring heb ik niet voor deze geestelijke dwaling, een diepe genegenheid voor haar opvatte.
Ik liep daarna naar Alpha, waar ik dacht dat Gang Starr en Jeru the Damaja de boel aan het fokken zouden zijn. Helaas. Men was nog niet gearriveerd, en de schurken van de organisatie hadden Bettie Serveert wat naar voren gehaald, waardoor ik recht in de val liep. Kokhalzend rende ik de tent uit, naar Gorefest in Bravo.
Daar trof ik Gerry weer, die al aardig op z'n in verhouding tot zijn lichaam dunne beentjes stond te wiebelen. Gorefest maakte een hoop lawaai, waar Gerry en ik vreselijk om moesten lachen. Toen Gorefest afgelopen was zei Gerry "Nou ken je lache, als die lui uit die tent komen." En inderdaad. De voltallige cast van de film 'Freaks' kwam naar buiten, paars en stoom uitslaand. Lache.
Terug naar Alpha, waar Gang Starr dan toch nog gekomen was. Het bleek voor de vierde keer een teleurstelling. De platen zijn zo goed, en dan maken ze er live weer zo'n 'Wave your hand in tha air'-ding van, beschamend gewoon. Dit kon ik niet aanzien, en door ging het, naar de perstent. Daar was net een OOR-borrel gaande, en al mijn vrienden van de pers waren er. Voor de tweede keer die dag liep ik kokhalzend de tent uit, terug naar Bravo, waar African Headcharge net begon. In het begin vond ik het niet zó, maar gaandeweg begonnen ze de sfeer er goed in te krijgen. Ik had het weer naar m'n zin.
Later liep ik naar Alpha, waar G-Love & Special Sauce onverwachts optrad. Die stonden eigenlijk in Charlie, maar omdat Blur was uitgevallen (och, wat jammer nu) mochten ze in de grote tent. en dat deden ze aardig. Na een tijdje kon hun blueshop me niet zo heel erg meer boeien, maar ik denk dat we daar nog veel van zullen horen. In Charlie begon toen Sebadoh, maar ik strandde onderweg daarnaartoe in de vistent, waar William en zijn lieve vriendinnetje Sharon waren. We raakten maar weer eens aan de praat, en zo trok Sebadoh aan mij voorbij.
Het was al laat. In Bravo zou Transglobal Underground beginnen, en dat wilde ik wel eens zien. Russell was verliefd op de zangeres, die Natascha Atlas bleek te zijn, dat meisje van Jah Wobble's 'Bomba'. Transglobal Undergound boeide mij echter absoluut niet, wat ik wel jammer vond, maar goed, het leven is hard. Ik nam een postzegeltje tot me ('voor straks') en liep de tent uit. Weer trof ik William en Sharon, en ik was ook blij Francien tegen te komen. We gingen wat eten in de vistent, terwijl op de achtergond Arrested Development haar flauwe set af stond te draaien, en we hadden een hoop lol. In Charlie zou Dead Moon bijna beginnen, en William en Sharon liepen alvast daarheen. Ik had zo'n donkerbruin vermoeden dat Francien naar Eat Static in Bravo zou willen gaan. Ik wilde graag naar Dead Moon, en weer was daar die twijfel. Ik vroeg haar of ze naar Eat Static wilde, ze zei ja. Ik omheslde haar, voelde dat het goed was, en zei "Het klopte even niet hè?". Na een tijdje zei ze "Nee het is okee zo, jij moet door met jouw leven, ik met het mijne", en BAM daar was-ie, de klap in m'n gezicht. "Dit is het dan, nooit meer gelukkig zonder haar", dacht ik. Ik kon wel janken.
Ik bracht haar naar Bravo, en liep verloren terug naar Charlie. Dead Moon kreeg mijn humeur weer wat omhoog. The koolest band in the world, dude, fuck Rage Against The Machine. Dat dacht ik toe ik ze zo bezig zag.
Die nacht was iets minder leuk dan de vorige, ik voelde me eenzaam. Jeroen was er ook al niet, die was al in de middag naar huis gegaan, voor een optreden van de Dogtroep, of all theatregroups. Ik lag al vroeg in de tent. De volgende ochtend zag ik Bartel B. optreden, met Philip Tilli. Wel leuk, niks speciaals. Toen die droplul van Prodigal Sons het podiumpje van de ontbijttent betrad spoedden Bas, Arnout en ik ons naar het festivalterrein. 35007/Loose zou spelen, zij het zonder zanger, want die zat op Kreta. Maar we waren te laat. Eigenlijk had ik helemaal geen zin meer om nog bands te zien. Ik liep naar Alpha, waar Quicksand optrad. Aan de zijkant van de tent was een grasveld, waar ik onze Alkmaarse vrienden trof. Ik besloot me met hun op te houden. we genoten van een verschrikkelijk hard (qua volume) Quicksand en een clown die mensen lastigviel op het terrein. Na Quicksand was Cypress Hill aan de beurt, en ik ging naar binnen. Uiteraard speelden de heren een gewonnen wedstrijd, en de vrolijke bijdrage van die gozer van Biohazard deed daar niets aan af. Terug bij mijn Semavrienden togen we naar de veggie-tent om te nassen. Van daaruit ging het richting Bravo, voor Victims Family, later op de dag. Onderweg stufften we ons nog met een pannekoek, en bij Bravo gingen we heerlijk in het gras liggen. Oasis speelde, maar dat klonk niet echt interessant. Toen Victims Family begon liepen we naar binnen. ik was overdonderd door deze band. Dat was nou een goed optreden, godverdomme! Opgetogen liep ik richting Alpha, waar ik, o rampspoed, Paradise Lost en de Lemonheads gemist had. Er begon iets, en ik liep naar binnen. Venema liep het podium op en kondigde een man aan met vele bijnamen, die zomaar bandjes begon en er dan weer mee ophield. Er begon nog niets bij me te dagen. Maar toen kwam het: "Maar als ik aan hem denk, dan zeg ik, een persoonlijke vriend, dames en heren: FRANK BLACK!!" En -zoeff- weg was ik, brrrrr. Gauw Pavement kijken, in Bravo. Dat was beter, gelukkig. Na dit optreden liep ik naar de vistent, waar (natuurlijk) William en Sharon waren, mijn visbakens in de duisternis. Weer aten we, en we besloten de laatste 3 bands allemaal een stukje te bekijken. Wat Biohazard betreft kwam daar niet zoveel van, maar ik betwijfel of we iets gemist hebben. We hielden ons op bij Bravo, waar de Levellers, ook één van mijn favoriete bands -NOT-, zou spelen. Gelukkig, ook dit vooroordeel werd weer bevestigd. Klotebèèènd!! Het toetje (the Reverend) zou alles wel goedmaken, ging ik maar van uit, terwijl Lien en William gek deden op de halfzachte folkrock van dat zootje nepcrusties. En William beweerde doodserieus dat de Levellers de beste muziek maakten op te dansen, wat hem betreft. Drank maakt meer kapot dan je lief is.
Gelukkig was hij het ook die als eerste voorstelde naar de Reverend Horton Heat te gaan kijken. Now that's rock 'n' roll, dude! Goeie show was dat, en een waardige afsluiter ook, hoe onverwachts ook.
Na afloop had ik afgesproken bij de pizzatent met Bas en Arnout, waar ik m'n laatste 3 consumptiemunten à tweeëneenhalve gulden per stuk opmaakte aan wat waarschijnlijk de allersmerigste pizza was die ik in mijn hele pizza-karrière zal eten.
Toen ik hen had gevonden, liepen we terug naar de auto, nadat ik afscheid had genomen van mijn Semavrienden, en laadden de zooi in. Er bleken nog 7 man mee te gaan naar Amsterdam. Het waren van die jolige mensen, die "Hee joh, kijk eens niet zo somber" tegen je zeggen en "Nou zeg" als je ze daarna met vernietigende blik aankijkt. In Amsterdam zetten de heren me na een lange rit bij Jeroen af. Ik stapte uit, Arnout zei met een "Niet teveel nadenken" gedag en ik liep naar binnen. Het was voorbij.
[een persoonlijk verslag. ik weet niet meer waarom de inleiding qua toon zo haaks staat op de rest van het stuk.]
Bookless: Non-stop Purr Machine

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
De katten waren met stomheid geslagen toen ze het meisje binnen zagen komen. Waar dacht ze dat ze mee bezig was, om negen uur 's ochtends maandagochtend binnenkomen? Ze kwam normaal nooit op dat uur thuis, sterker, normaal gesproken gaat ze juist WEG rond die tijd. De meeste huiskatten weten perfect wat voor dag het is, ze weten dat na maandag dinsdag komt, en daarna woensdag, donderdag en vrijdag. Ze weten het, maar ze kunnen heel goed doen alsof dat niet zo is. Ze zouden ze zelfs achterstevoren op kunnen noemen, maar dat doen ze niet, niet omdat ze daar geen zin in hebben, maar simpelweg omdat ze niet kunnen praten. De katten waren verward, ze wisten niet zeker of ze teveel geslapen hadden nadat ze de hele nacht met het rode rubberen balletje dat ze bij toeval ontdekt hadden in een groene Adidas schoen met grijze strepen. Ze konden het ook niet weten, omdat ze ook geen klok kunnen kijken. Ze kunnen het alleen weten als zij haar mobiel aan heeft staan, of de computer, of als ze het journaal kijkt terwijl ze langzaam haar met chocolade bedekte of gevulde croissants ontbijt en haar koffie drinkt. Maar niets van dat alles was op dat moment van toepassing. Misschien was ze wakker geworden en had ze hen zo vredig zien slapen dat ze besloten had om die dag heur haar niet te drogen, noch het nieuws te gaan kijken, noch muziek op te zetten, om hun slaap niet te verstoren. Met zoveel imaginaire stilte herinnerde kat nummer één zich dat ze gedroomd had dat ze hele lange poten had waarmee ze harder had kunnen rennen en hoger springen. Ze bekeek zichzelf in de spiegeling van de klep van de wasmachine, en ze zag de droom niet was uitgekomen, want haar oren kwamen, net als op alle andere dagen, niet over de helft van het kijkglas.
Kat nummer één vond het wel leuk om te denken dat dromen uit kunnen komen, hoewel dat nooit zou gebeuren. Nooit, behalve die ene dag dat ze droomde dat het meisje een muis van touw voor haar gekocht had waar ze achteraan kon jagen en die haar deed denken aan de echte muizen die ze opjoeg toen ze met het meisje op het platteland woonde. Dat was ver voordat kat nummer twee kwam. Ze dronk een beetje water uit haar bakje terwijl ze zichzelf nog eens bekeek in de weerspiegeling, en ze dacht dat het fantastisch zou zijn om zulke lange poten te hebben, hoewel ze zich ook realiseerde dat ze niet erg praktisch waren geweest bij het eten. De voordelen waren meteen veranderd in een nadeel dat alleen omzeild kon worden door het etensbakje op een hogergelegen plaats te zetten. Wat ongetwijfeld een probleem was geweest aangezien het meisje nogal verstrooid was en dat detail over het hoofd zou zien.
Behalve als ze op een zaterdag gehurkt de was in de wasmachine zou doen, dan zou ze in de gaten krijgen hoe moeilijk het is om van de grond te eten voor iemand met zulke lange poten.
Ze zou het het meisje ook zelf kunnen laten weten door een hoog gemiauw, zoals wanneer ze honger had of wilde dat de deur werd opengedaan zodat ze in de tuin kon. Hoewel een dergelijk gemiauw niet veel zou helpen, want het meisje zou automatisch meer eten in het bakje doen, of ze zou met tegenzin opstaan van de bank om de tuindeur te openen, en ze zou zeggen dat kat nummer één een zeurpiet was omdat ze net was gaan zitten om de krant te lezen.
Nee, het kon bijna niet anders dan dat het meisje niet thuis was komen slapen, de katten hadden allebei geluisterd en het meisje mag dan verlegen zijn, stil is ze zeker niet. Ze zouden het gemerkt hebben als ze wel thuis was gekomen, want als ze hen begroet geeft ze ze altijd een kus en een aai. Wat deed ze in godsnaam op een maandagmorgen thuis? Kat nummer twee was er zeker van dat ze de vorige nacht niet thuis was gekomen, want ze had haar geen kus gegeven voor het slapengaan, en omdat ze zich niet kon herinneren de stemmen van de televisie gehoord te hebben. Ze wist dat het meisje snel weer weg zou gaan, want ze herkende de sporen van stress die op haar geizcht stonden, sporen die er altijd waren als ze weer eens te laat was. Ze wist dat ze laat was, ondanks het feit dat ze geen klok kon kijken. En terwijl kat nummer twee bedacht dat haar vrienden het meisje nog wel een paar van die digitale horloges en klokjes cadeau mochten doen, dronk het meisje haastig een glas sinaasapplesap leeg, terwijl ze dacht dat haar katten helemaal niet zoals die van Yukiko waren. De hare waren nooit tevreden met vijf of zes stukjes pens om middernacht, ze hielden niet van kliekjes. Als zij aten, aten ze veel. Ze deed eten in de bakjes van beiden en rende het huis uit, op weg naar wat dan ook. De katten stonden perplex toen ze zagen dat er op de zak van twee kilo, die ze buiten de voorraadkast had laten staan, een foto van een hond stond in plaats van een kat. De zalm konden ze wel vergeten. Er was een levensgroot verschil tussen die zak en die van een kat. Ze wisten het, maar ze deden heel goed alsof dat niet zo was.
De appel van mijn oog
Robin was drie jaar oud was toen ik leerde kennen. Mee op sleeptouw genomen door heur moeder Ina, helemaal vanuit Utrecht naar Playa de las Americas, Tenerife, Canarische Eilanden, vertederde ze de plaatselijke bevolking en de collega-timeshareboeven met haar prachtige grote bruine ogen, haar lange bruine haar en haar vrolijke karakter. Een groot actrice, dat wisten we toen al. Ina en ik raakten bevriend, en Robin werd mijn oogappeltje. Dagenlang paradeerde ze, hooggezeten op mijn schouders, over de promenades van het toeristenoord, en door de dorpstraat van Guía de Isora, waar zij met haar moeder woonde en waar iedereen hen kende.
In de winter van dat jaar 1989 verkaste ik naar Barcelona, zij bleven nog een paar maanden op het eiland om te proberen nog wat extra centen te verdienen. Toen ik aan het begin van de zomer van 1990 terugkeerde naar Amsterdam, waren Robin en Ina alweer in Utrecht, back to normal, en we spraken zo snel mogelijk af. Ina wist me te strikken als babysit voor Robin, en die funktie vervulde ik een paar jaar met veel plezier. Tot de dag dat Robin hysterisch werd bij het zien van mijn verschijning. De moeder van het vriendinnetje keek me aan en ik las van haar gezicht dat ze zich afvroeg wat ik in godsnaam met het kind had uitgevoerd. Robin weigerde met me mee terug naar huis te gaan, zat gillend en met de tranen over haar wangetjes rollend op de trap, en ik vroeg de moeder of het okee was dat ik later terug zou komen met Ina om Robin op te halen. "Wat mij betreft zet jij geen voet in haar nabijheid zolang als ik leef", dacht ze, en ze zei "Natuurlijk, geen probleem." Verward, aangeslagen liep ik terug naar het huis in de Grietstraat, me afvragend wat ik gedaan kon hebben dat haar zó van streek maakte. Ina had wel eens gezegd dat Robin te jong was om de ironie te begrijpen waar ik haar af en toe mee benaderde, en dat mijn gekscherende toon haar verwarde, maar dat kon toch niet de reden van zo'n hysterie?
Het duurde een jaar voordat Robin, inmiddels zes geworden, me weer aan wilde kijken en tegen me praatte. In dat jaar was ik gewoon langs blijven komen, maar het was altijd wat onwezenlijk geweest. Terwijl ik met Ina zat te praten, was Robin altijd thuis, maar wel zo ver mogelijk van mij vandaan. Het deed pijn, heel erg pijn, maar ik wist dat ik hoogstens schuldig kon zijn aan het eerder genoemde gevoel voor humor en het gebruik daarvan tegenover Robin. Ina dacht dat hetzelfde, na gesprekken met Robin.
Toen het weer goed kwam, was het ook echt weer goed. Ik was wat voorzichtig met wat ik zei en hoe, maar dat was het enige dat anders was dan voorheen. Ik paste ook weer op haar, en soms kwam ze zelfs bij mij in Amsterdam logeren. Tisfris was haar favoriete stekje om even uit te rusten van onze zaterdagse strooptochten langs snoep- en speelgoedwinkels, en ik merkte dat Robin een uitstekende chickmagnet was, wat een leuke bijkomstigheid was.
Jaren later, toen ze net elf was, kwam ze bij me langs in Madrid, waar we de flamencoschool bezochten waar een vriend van haar dansleraar doceerde. Ik nam haar mee naar een aantal tabernas zoals de Casa Patas waar prachtige flamencoconcerten werden gegeven, en Robin was ervan overtuigd dat ze later een groot flamencodanseres zou worden.
Nu is ze vijftien. Ieder weekend is ze te vinden in Tivoli, waar ze naar verluidt de "vieze kerels" met veel humor van zich af slaat en toen ze laatst in Antwerpen op bezoek was, stak ze na het eten een peukie op. Ik moest mee naar de Meir, kleren kopen. Winkels waar ik normaal gesproken niet over zou peinzen ze te betreden, commentaar op alles en iedereen, "jezus, dat kán toch niet, die combinatie!", "jongens weten zich ook helemaal niet te kleden, hè", "wat ís dat toch dat iedereen hier, jongens en meisjes, op gymschoenen met plateauzolen loopt, dat is toch lélijk?". "Ik denk dat ik maar beter niet kan vragen wat je dan van mijn manier van kleden vindt", zei ik om er op slinkse wijze achter te komen wat ze dan van mijn manier van kleden vindt. "Jij bent gewoon Dave, en je kleedt je gewoon als Dave, en dat is gewoon okee." Zoals ik al zei, een groot actrice.
Moed
Ik ben nummer vijf in het rijtje. Voor mij staan een aantal jongens van mijn leeftijd, achter mij staat Mick. Als ik omkijk grijnst hij die spuuglelijke grijns van hem. We luisteren naar wat de jongen in het spreekhok allemaal zegt. Zijn uitspraak van het Engels is vreselijk. Wel een typische radiostem.
Ik begin te zweten. Mijn buik doet pijn. Nog maar drie vóór mij. Ik slik. "Wat?", vragen Mick's ogen als ik me nog eens naar hem omdraai. Ik slik nogmaals, zeg niks. Wat zal ik doen? Ik kan nu nog weg. Ik zal een belachelijk figuur slaan, maar die mensen zien me toch niet meer terug. Mick gaat voor me staan. Hij zegt niks, maar zijn blik waarschuwt me om vooral niet terug te krabbelen. Niet nu.
Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd. Het moet lukken, ik heb ervaring en een goede stem voor de radio, en mijn Engels is oneindig veel beter dan dat van wie dan ook in deze gang. Ik ben de volgende. Als ik nu niet mijn billen bij elkaar knijp, sta ik zometeen met een volgescheten broek. Mijn hart, hij gaat als een razende tekeer. Ik hou mijn handen voor me, probeer ze stil te houden. Het lukt niet. Als ik nu wat zeg komt er alleen gepiep uit mijn keel, dus ik hou mijn mond. Ik wou dat het niet zo warm was. Alles plakt. Jezus wat duurt het lang. Het suist in mijn oren.
De deur van het spreekhok gaat open. Mijn voorganger komt naar buiten, flauwtjes glimlachend, hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. De man van het radiostation kijkt me aan. "Pasa."
"No."
Mick rent schreeuwend achter me aan. Op het strand kom ik tot stilstand. Mick stopt niet met rennen als hij me bereikt. Hij smijt me op het zwarte zand en begint me te slaan. "Klootzak! Stomme klootzak! Wat doe je nou godverdomme!"
"Ik ben er nog niet klaar voor."
"Wat bedoel je godverdomme, niet klaar voor! Stomme hufter! Je bent toch geen klein kind?"
"Ach man, rot op."
"Als je dít al niet eens durft..."
Hij staat op, kijkt op me neer.
"Je bent een loser, weet je dat? Weet je wat er nu gaat gebeuren? Je gaat naar Barcelona, je gaat naar dat meisje, en dan ga je met haar trouwen. Je gaat in een leuk huisje wonen, jullie krijgen twee kinderen, zij krijgt een dikke reet en hangtieten en haar huid wordt grijs van het roken. Jij krijgt een vette pens en je haar wordt vet en je krijgt drie onderkinnen en over tien jaar sta je voor de spiegel en dan walg je van jezelf. Dan walg je van jezelf en je gebrek aan lef! En dan vraag je je af waar je de fout in bent gegaan. En Dave, als je je dat af gaat vragen, dan is het veel te laat. Dan ben je al opgenomen in de meute, in die walgelijke kudde van walgelijke mensen die zichzelf 'normaal' noemen met hun bekrompen geest. En weet je wat? Je zult het je bijna niet eens meer realiseren, want je bent dan net zo als zij. En ik zeg 'bijna', want ergens, heel ver weg, klinkt een stem. De stem van het besef dat je de mist in bent gegaan toen je opgaf voordat je begonnen was. Maar je negeert hem. Je negeert hem en gaat gewoon door met waar je mee bezig was. Want je durft niet te veranderen. En zo blijf je werken bij dat stomme kantoor dat je haat, maar waar je niet weg gaat omdat je dan je zekerheid verliest. En weer twintig jaar later ga je met pensioen. Dan zit je de hele dag op je luie reet. 's Ochtends lees je de krant, je gaat naar het café om een neutje te drinken met de andere losers uit de buurt, en 's avonds kom je thuis om te eten wat je al 30 jaar eet. En op een dag lig je dood te gaan. En bij je voorlaatste adem denk je 'wat heb ik nu eigenlijk gedaan in mijn leven?' En bij je laatste ademtocht besef je dat je helemaal NIKS hebt gedaan. Dát gaat er gebeuren. Klootzak."
Mick draait zich om en loopt van me weg. Ik blijf nog een paar uur zitten, op het zwarte strand, in het donker.
Bookless: Cookie Treasures

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Soms zou ik willen dat alles wat er uit de hemel valt, dat op een eerlijke manier zou doen: het water, de sneeuw, de mogelijkheden, de bommen. Ik zou het ook leuk vinden om de details van de badkamers van alle flats waar ik heb gewoond te kunnen fotograferen, omdat het me op sommige dagen onmogelijk is ze me allemaal te herinneren. Ik moet me echt concentreren om me ervan te verzekeren dat er naast de douche een doorzichtig plastieken kast was waar ik de handdoeken bewaarde, in de vorige flat waar ik woonde. Op de wc van het apartement waar ik nu woon kun je de stemmen horen van twee mensen aan de andere kanten van verschillende muren, je kunt ze horen praten, maar niet met elkaar; ze praten met mensen aan de andere kant van de mobiele telfoonlijn, wat een afgekorte versie van de tamagotchi is. Als dat gebeurt, ben ik als de ham in een sandwich gemaakt met geroosterd brood van tegels dat zich elektronisch het haar droogt.
Ik hou ervan om katten op straat te zien als ik verdwaald ben en de straat niet vind waar ik heen moet. De katten die je op straat ziet zijn meestal vies en mager en trekken zich niets van je aan, maar ze doen me glimlachen en zorgen ervoor dat ik me niet kwaad maak dat ik te laat kom op de plaats waarvan ik de straat niet kan vinden. Ik glimlach nog steeds als de wind met meer dan 80 km. per uur waait, iets wat vreemd is in een stad als deze. Plotseling wordt wandelen iets gecompliceerds, het is niet langer een automatische en eenvoudige beweging maar wordt bijna een circuachtige manoeuvre, ik moet de handen uit de zakken halen om het evenwicht te bewaren. Nog iets dat ik moet noteren op de lijst van nadelen van het hebben van een klein lichaam en een groot hoofd. Als ik op het punt sta een halve draai te maken en ik denk aan de gigantische kop chocomel en koekies die ik tot me ga nemen als ik thuis kom, doemt de straat ineens op, uit het niets, lang en vol met gebouwen met nummers die geen enkele logica lijken te volgen en die geen ander doel lijken te dienen dan mij nog meer in de war te brengen. Ik heb een hekel aan nummers en sowieso aan alles wat met wiskunde te maken heeft, ik kan alleen maar biljetten tellen. Ik denk dat ik daarom nooit maat weet te houden en de helft van de maand als een koningin leef, en de andere helft als een bedelaar. Ik weet niet goed waar de angst voor cijfers vandaan komt, maar wat ik wel goed weet is dat als ik het zou proberen te overwinnen, ik het zou kunnen; ik heb het al eens gedaan, toen mijn scolaire toekomst gevaar liep. Maar eerlijk gezegd heb ik helemaal geen zin in een herhaling van dat huzarenstukje. Letters zijn makkelijker, hoewel dat ook afhangt van de bril waarmee je ze bekijkt; de meeste mensen zal het ermee eens zijn dat 54 niet net zo praktisch is als vierenvijftig.
Soms zie ik mensen op straat die klappertanden van de kou en dan vind ik het jammer dat ik geen miljonair ben en ze een warme jas cadeau kan doen, en een paar wollen handschoenen. Wat minder is dat die mensen het meestal zeer slecht hebben en met trillende handen en schijnbaar zonder enige reden andere mensen slaan die de stoep met hen proberen te delen om wat geld te verdienen. Als ik die dingen zie krijg ik een vreemd gevoel en ik probeer aan iets anders te denken, bijvoorbeeld aan het plaatje van prinses Leia dat ik in het doorzichtige zakje van mijn blauwe rugzak draag, en dat ik gratis kreeg bij een pak chocoladekoekjes. Ik denk aan de kenmerken waarop de mensen zich baseren om bepaalde nutteloze objecten te kwalificeren en ze een bepaald belang toekennen, of ze direct als schatten te beschouwen. Zonder het te willen, denk ik hoe het kindje eruit zal zien dat bijna zijn of haar Star Wars album vol heeft, alleen dat ene plaatje van Prinses Leia ontbreekt nog. En ik denk ook dat die gasten die mijn mobieltje gejat hebben in de metro zich rot zullen hebben gelachen om hoe dat eruit ziet.
Bookless: Sound Dusted

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Vanaf het moment dat ik die morgen opstond had ik een onuitwisbare glimlach op mijn gezicht, zo één die slechts af en toe voorkomt. Toen ik op kantoor kwam, begon ik met het beantwoorden van emails, de één na de ander, zonder te stoppen om me af te vragen waar ik toch zoveel energie vandaan had. Ik begon te plannen hoe ik alle zaken nog te doen, die zich de laatste dagen langzaam hadden opgestapeld, af moest handelen. Ik had rust nodig, maar daarvoor moest ik alles af hebben dat ik nog moest doen, en ik wilde de ideeën die al tijden in mijn hoofd rondliepen als verdwaalde toeristen in een woonwijk van Hong Kong, realiseren. Plotseling streden mijn enthousiasme en mijn zin om aan te pakken om de aandacht met die stomme glimlach die de controle over mij geheel leek te hebben overgenomen. Hoe kon ik zo blij zijn wetende dat Barbara over een paar dagen naar Mexico verhuist? Het leek me niet normaal. Ik heb een hekel aan tegenstrijdige gevoelens. Ik dook in mijn ziel om de reden te zoeken van mijn optimisme. Zondag had ik ineens een aantal dingen tegelijk begrepen, en dat had me doen beseffen hoe dom een mens kan zijn als die alles te serieus neemt. Ik had me bedacht dat het einde van dingen niet alleen het einde is, maar ook het begin van iets anders. Ik wilde ineens de afgelopen drie maanden van mijn leven inhalen, ik wilde al het slechte in één dag goedmaken, en het enige dat ik bereikte was een vreselijke adrenalinerush en een stomme glimlach. Dat aan de ene kant, en aan de andere kant was daar de wetenschap dat ik die avond naar het concert van Stereolab en Mina zou gaan. Ik had Stereolab nog niet eerder live gezien, en ik vond het geweldig dat ze met Mina samen speelden. eindelijk zouden meer mensen getuige zijn van de elektrificerende live optreden van de Berlijners, en tussen die mensen zouden er een hoop zijn die mijn eindeloze verhalen hadden moeten aanhoren over hun concert in de Nasti. Ze zouden eindelijk begrijpen wat het was dat hen zo speciaal maakte, dat wat zich niet in woorden liet vangen.
De genoemde adrenalinerush verliet me geen moment, en na het werk repte ik me naar Sol, waar ik had afgesproken met Aurora, Zinnia en Barbara. Ik maakte nog wat plannen met Aurora, waarna we naar de Arena liepen om te kijken of er nog een manier was om gratis binnen te komen, zodat we alledrie naar het concert konden. Negative. Niemand wist of er op "de lijst" nog een naam zou staan die we zouden kunnen gebruiken om binnen te komen, sterker nog, niemand wist of die lijst überhaupt wel bestond. Het stond me tegen om alleen naar binnen te gaan en zo de weinige tijd die me nog restte met Barbara verder te reduceren, dus we gingen naar de Arabier tegenover de bioscoop om te eten. De meisjes stonden erop dat ik naar binnen zou gaan, ze zouden op me wachten en na het concert zouden we ergens wat gaan drinken, maar ik voelde me daar niet goed bij, ik had erg veel zin om het concert te zien, maar zonder hen zou ik me niet goed voelen. Ik zou uiteindelijk beslissen tijdens het eten, want ik wist dat beide bands met vertraging waren aangekomen en dat het optreden dus later zou beginnen.
We aten, en toen we het restaurant uitliepen wisten we nog steeds niet waar we naartoe zouden gaan, dus we liepen nog eens langs de Arena. Ik kon toch maar moeilijk wennen aan het idee dat ik niet naar binnen zou gaan, ik kom maar niet over mijn periode van puberfanatisme heen komen waar het muziek betreft. Iemand moest iets doen, dus ik liep naar de pinautomaat, en iemand van wie ik veel houd sponsorde de kaartjes.
Zodra ik binnen was zag ik een hoop bekende gezichten, en allemaal glimlachten ze onbewust net als ik, en er is ook niks beters dan een gezonde dosis gitaren en keyboards op een dinsdagavond. De beste momenten waren toen "Captain Easychord", "Baby Lulu", "Space Moth", "Nothing To Do With Me", "Double Rocker" en "Parsec", één van mijn favorieten, klonken. Hoewel het geluid wel een beetje raar was, slecht afgesteld eigenlijk, iets wat me vreemd leek, net zo vreemd als het entreekaartje waarop de hoes van "Aluminium Tunes" stond in plaats van die van "Sound Dust".
Toen we naar buiten liepen hadden Barbara en Zinnia dezelfde onuitwisbare glimlach als ik.
Bookless: Strange Day EP

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Aarón kwam langs op kantoor en ik was verrast, want vandaag had ik niet vergeten de tupperwaredoos met de macaronikliekjes van gisteravond uit de koelkast te halen voor de lunch. Ik besloot ze dan maar voor de avond te bewaren en ik ging met hem naar het restaurant waar ik bijna altijd naartoe ga als ik niks te eten heb meegenomen naar het werk. We begonnen te praten over zijn problemen en over die van ons, die ik eerlijk gezegd geen problemen vind maar meer een opeenstapeling van kleine onplezierige voorvallen. Uiteindelijk, toen we het dessert al besteld hadden, zei hij dat de conversatie nergens naartoe ging, en ik neem aan dat hij hetzelfde vond van onze relatie, want hij zei dat het beter zou zijn als we uit elkaar gingen.
Zoals te verwachten, wist ik niks te zeggen en de hele maaltijd veranderde plotsklaps in een gigantische luchtbel die ieder moment zou kunnen knappen. Ik keek alleen maar naar de tv, om zijn blik te ontwijken, maar de ober ging er recht voor staan en ik moest iets doen. Ik vroeg hem om een sigaret en stak haar op. Aarón begon te lachen, wat me zeer ongepast leek, gezien wat hij zojuist besloten had, en ik vroeg hem wat er te lachen viel. Hij zei dat hij het grappig vond dat ik om een sigaret vroeg terwijl ik daar helemaal geen zin in had. En ik herinnerde me ineens dat ik roken niet meer lekker vind en drukte de sigaret uit.
We liepen naar buiten en we zeiden niets gedurende de 40 meters die het restaurant van mijn kantoor scheiden. Aarón zei uiteindelijk dat hij bij zijn ouders in zou trekken, en ik werd verdrietig. Hij afscheid van me, alsof ik zomaar een vriendin was, en ik werd nog triester. Hij zei dat ik een goed mens was, te goed voor hem, en ik voelde me verschrikkelijk, zo erg dat het woord "verdrietig" alle betekenis verloor en het veranderde in iets waarvan ik niet weet hoe het heet.
Ik probeerde het hele voorval te vergeten want ik was aan het werk en ik wilde niet dat iemand me zag huilen, en omdat ik weet dat huilen niets oplost. Ik begon te werken als een bezetene en ik zette alle liedjes op van Stevie Wonder, want toen ik klein was zette mijn vader die altijd op en dan dansten en lachten we. Maar ook dat hielp niet; het is al zo lang geleden dat ik hem niet gezien heb, en ik werd er nog triester van.
Plotseling zag ik hoe laat het was, en ik moest naar Jesús, die haast had omdat hij naar het voetballen ging kijken. Toen hij me vroeg hoe het met me was kon ik niet zwijgen over wat er was gebeurd, en hij zei me dat men drama's moet proberen te vermijden, en hij gaf me een cd extra van For Stars, voor mij. Ik ging, want ik zag wel dat hij het druk had en dat hij haast had want hij moest op tijd zijn voor de wedstrijd. Ik ging naar de Calle Madera om bij Zinnia langs te gaan, maar ik besefte opeens dat ik in de verkeerde straat zat. Ik liep een blokje om en kwam bij haar gebouw terecht, maar ze was er niet. Ik besloot een plaat te gaan kopen want ik had geen zin om naar huis te gaan. Ik kocht de "Strange Day EP" van The Hacker en toen ik op straat liep zag ik dat hij beige was, net als de laatste drie platen die ik de zaterdag ervoor gekocht had, wat een vreemd toeval. Ik stopte in een winkel om voer te kopen voor de kat, en de meneer die me hielp vroeg of ik Whiskas of Friskies wilde. Ik zei dat Whiskas beter was want ik had gelezen dat Friskies dingen in het voer doet dat schadelijk is voor katten, en dat Friskies eigenlijk geboycot moest worden. De man keek me aan alsof ik Russisch tegen hem sprak, ik glimlachte stom naar hem en ik liep de winkel uit zodra hij me het wisselgeld had gegeven.
Op de trappen van de metro zat een jongen "The Model" te spelen op zijn Telecaster, en ik gaf hem een briefje van tienduizend peseta's. Hij wilde het niet aanpakken, maar ik lachte en zei dat het okee was, en dat het ook geen vals biljet was, en ik liep naar het perron. De trein was net weg, maar het maakte niet uit want "The Model" is één van mijn favoriete Kraftwerk liedjes en bovendien gaf het niks dat ik laat thuis zou komen, omdat Aarón toch niet op me zat te wachten.
Voordat de trein gestopt was, zag ik dat mijn buurman de gek in de laatste wagon zat, dus ik liep naar de volgende, want ik had geen zin om hem te zien. Toen ik zat opende ik de cd van For Stars en ik begon de teksten te lezen, tot ik bij een nummer kwam dat "How It Goes" heet, en ik bijna begon te huilen om wat de tekst zei: "That's how it goes babe/Friends they can't be found/ People fade away/ Don't be so amazed/ Cars can take them far/ We will be alone/ ……don't be so profound/ You will be the star…". Ik borg de cd op want ik had geen zin in gejank.
Toen ik de metro uit kwam probeerde ik zo langzaam mogelijk te lopen omdat ik mijn buurman niet tegen wilde komen, en plots zag ik dat ik vlak achter hem liep. Ik wilde niet dat hij me met de plaat in mijn handen zag, want voor hem is het niet meer dan een duivels ding dat geluid maakt. Bovendien hou ik niet van zijn buien, noch van de manier waarop hij op de deur bonst om schreeuwend te vragen of de muziek zachter kan, en de onbeschaamdheid waarmee hij vervolgens naar mijn kat vraagt. Ik stopte bij de groentenwinkel om wat fruit te kopen, want ik wist dat ik hem vroeger of later in zou halen en dan zou een ontmoeting onvermijdelijk zijn. Ik had werkelijk nergens zin in, maar ik kocht twee rode pruimen. Terwijl ik wachtte op het wisselgeld, vroeg een meneer aan het kassameisje of haar vader soms chocolatier was. Ze vroeg hem waarom, en hij zei dat hij haar een bonbon vond. Alle dames lachten, en ook ik vond het grappig, maar ik kon niet lachen. Ik haalde een pruim uit het zakje en wreef hem op met mijn t-shirt totdat ik mezelf erin weerspiegeld zag. Toen ik erin beet keek ik een etalage binnen van een babykleertjeswinkel en ik dacht aan mijn zus die over 3 maanden een baby verwacht, en ik kreeg spijt van alle keren dat ik haar gepest had vanaf de dag dat ze geboren werd. Ze is allang niet meer het vervelende kind dat ze vroeger was, en ze ziet er prachtig uit met die dikke buik. Ik zocht mijn buurman met mijn blik en hij was al weg, vóór mij liep een mevrouw met haar zoontje. De jongen vroeg of ze een vis voor hem kocht, maar ze zei dat ze bijna op vakantie gingen en dan zou de vis dood zijn als ze terugkwamen. Toe vroeg het jongetje waarom ze het niet kocht en dat ze de vis toch bij "die mevrouw" konden laten om ervoor te zorgen tot ze thuiskwamen. De moeder zei dat de mevrouw er sowieso wel voor zou zorgen en dat ze haar daarvoor niet hoefde te betalen, maar haar zoon zei dat dat beter was want zo zou ze hem meer te eten geven, en als ze dan terug waren zou zijn vis de grootste van allemaal zijn. En ik herinnerde me hoe makkelijk het leven was toen ik klein was en er niets onmogelijk was, en dat de wonden slechts pijn deden totdat er een korst op kwam. Dat je de zekerheid had dat de persoon van wie je het meeste hield er altijd voor je zou zijn.
Toen ik de lift uitkwam zag ik Whisky, de kat van de buurman, en buurman groette me en hij vroeg me naar mijn kat. Ik deed de deur open en daar ontving zij me spinnend en wel, en de buurman zei dat als ik ooit eten nodig had voor de kat, ik maar aan hoefde te kloppen, en hij aaide haar. Ik bedankte hem, sloot de deur en ik voelde me de stomste persoon ter wereld.
Bookless: Music Junkie

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Mijn zus werkte ooit gedurende een maand bij McDonalds. Lang genoeg om uit te vinden wat een klotebaan betekent. Als ze een muziekliefhebber geweest was, zoals ik, had ze bij Mix Up gewerkt. En als zij me niet verteld zou hebben over de gigantische hoeveelheden eten die ze bij McDonalds iedere avond in de vuilnisbak donderden in plaats van het aan een hongerige te geven, en als ik niet vegetariër was geweest, was ik daar gaan werken. Als je jong bent denk je meestal niet zo aan de toekomst, en als het moment daar is dat je naar de universiteit gaat, dan verveel je je of je stopt ermee, of je stopt er mee voordat je je verveelt. Ik deed het eerste, mijn zus het tweede. Van alle ongemakkelijke en ietwat verloren jongeren die ik in Mexico Stad ken, heeft 40% ooit bij McDonalds gewerkt, 10% bij Mix Up, terwijl de overige 50% op de bank voor de tv bleef hangen om stoned te worden achter de ruggen van hun ouders.
Om bij Mix Up te werken moest je een behoorlijk belachelijke muziekkennistest doen, met meerkeuzevragen. Dat was het theoriegedeelte. Het praktijkgedeelte was wat echt telde, dan kon men zien dat je niet afgekeken had. Eenmaal binnen, kon je tot twee groepen behoren: zij die niets van muziek wisten, dat ook niet wilden, en die de klanten voortdurend van het kastje naar de muur stuurden of erger, en zij die vochten om de muziek op te mogen zetten en die de klanten overspoelden met aanbevelingen terwijl de eerste groep het vuile en monotone werk van cd's prijzen deed. Ik behoorde tot de tweede groep. Het was onvermijdelijk. Ik kwam makkelijk in contact met de freaks die tenminste één keer per week cd's kwamen kopen, en ikzelf kocht in ieder geval iedere zaterdag een cd, als we de geweldige korting van 20% kregen. En ook al moesten we op zaterdag een uur langer werken, het was de beste dag van de week. Al het geld dat de winkel uitging in de vorm van mijn salaris, kwam dezelfde dag bijna integraal weer terug. Het was verschrikkelijk, deels omdat ze ons natuurlijk een absurd loon gaven, en deels omdat ik niet meer kon stoppen. Als je die ziekte eenmaal hebt is er geen genezing mogelijk, het is chronisch, en je moet ermee leren leven tot het einde der dagen.
Op een vrijdagmiddag vertelde Twisted, een heavy metalfan met afgeragde spijkerbroek en haar tot op zijn middel, over de "2 voor 1"-korting. Het was een niet geheel officiële korting, en slechts voorbehouden aan een selecte groep collega's. Ze bestond uit het plaatsen van een cd-schijfje in de doos van een andere, daar dan het cellofaan omheen doen, prijzen en betalen, uiteraard inclusief de korting. Ik vond het in het begin maar niks, maar al snel overtuigde Queenie (PJ Harvey's grootste fan) me van het tegendeel. Ze buitten ons uit en werden over onze ruggen rijk: "Weet jij wat een CD werkelijk kost? Niks! Met wat ze in een dag verkopen betalen ze ons allemaal..." De waarheid in haar woorden was zo groot dat ze nauwelijk in haar mond pasten. Maar het was ook waar dat niemand ons verplichtte daar te blijven, en als we een week vol Ricky Martin en Ace Of Base met het volume op 10 konden doorstaan, dan was dat omdat de drugs erg goedkoop voor ons waren. Op een goede dag echter was ook deze "korting" niet meer genoeg, en terwijl we een door mijn zus geleverd en door Ronald M. betaald Big Mac menu verorberden, dokterden we uit hoe we de 2 voor 1 aanbieding in iets groots konden veranderen. Nadat we lang hadden zitten beraadslagen, kwamen we tot de conclusie dat het bijna onmogelijk was om de barrière te omzeilen die de smerissen vormden die ons iedere avond voor het naar huis gaan in de gaten hielden. Ze kenden alle truukjes: dat van de vriend die langskomt met tassen van winkels uit de buurt (vol met goederen die hij zeker niet gekocht heeft), met de vraag om de betere techno, en bij wie je dan een paar CD's in de tas laat vallen; dat van de lunchdoos met daarin een sandwich niet met kaas, noch ham, maar met de Pixies of de Sugarcubes; dat van de vuilnisbakken waarin CD's zitten in plaats van vuilnis, klaar om geruild te worden voor kleren met de meisjes van Zara en Benetton, op de parkeerplaats; dat van de lege pizzadoos met vinylschijven erin...
Hen bedotten was een onmogelijke opgaaf, en omdat we ze niet konden verslaan, besloten we hen te infiltreren. Gedurende twee weken observeerden we hen en alles wat ze deden, één van ons volgde hen zelfs een paar keer buiten werktijd. Daarna begonnen we fase 2; we moesten vriendschap met ze sluiten op de één of andere manier. Maar het leek erop dat alle moeite voor niets was, hun afwijzing was totaal en onverbiddelijk. We besloten dat ik ingezet zou worden om contact te maken. Volgens hen was ik namelijk de meest sympathieke en had ik het uiterlijk van een dom kind, waardoor ik compleet onschadelijk was. In minder dan drie dagen kon ik de winkel uitlopen met mijn rugzak vol CD's. De vrouw met wie ik vriendschap had gesloten kneep een oogje toe en iedereen was tevreden. We hadden allemaal onze begeerde 5 vinger-korting gekregen en ik werd "de kleine Corleone" genoemd.
Stukje bij beetje groeide mijn muziekcollectie, net als mijn schuldgevoel, hoewel dat iedere keer weer verdween als ik aan de magische woorden van Sofía dacht: "Het is als het weghalen van een haar bij een kat, ze hebben het niet eens in de gaten. Bovendien verdienen we het, want ze betalen ons een schijtloontje." Maar de schijt waren wij zelf, een paar gore muziekjunkies die bovendien iedere dag een shot adrenaline nodig hadden. Ik moet bekennen dat hoewel ik in het begin slechts het idee geopperd had, ik steeds dieper zonk, net als onze geüniformeerde medeplichtige, die ook haar deel opeiste. En ze nam geen genoegen met zomaar wat CD's, nee, ze vroeg om een Elvis box, een collector's item. Ik weigerde, er waren maar twee exemplaren van in de winkel, als er één zou verdwijnen zou dat meteen opgemerkt worden. En toen gebeurde wat gebeuren moest: ik werd gepakt met een CD van Lydia Lunch die ik aan mijn broer cadeau wilde geven, en natuurlijk werd ik ontslagen. Er werd gelukkig geen aansluitend onderzoek ingesteld. Vier jaar later kwam ik opnieuw in aanraking met de politie, de Karma Politie die me twee inbrekers stuurde die ALLES wat ik had meenamen, inclusief de CD collectie; maar één ding was me duidelijk: vertrouw nooit op de politie, en ook niet op je mazzel.
Bookless: Palomitas con Caramelo

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Pablo en Diego zijn broers. Pablo is groter dan Diego, maar Diego is knapper dan Pablo. Diego is mijn beste vriend. Diego en ik zitten altijd naast elkaar in de klas. Als de school uit gaat wisselen we altijd schriften uit. Hij doet mijn wiskunde huiswerk en ik doe het zijne voor geschiedenis. Diego is erg goed in wiskunde, maar geschiedenis vindt hij niks. Diego zegt dat het nergens voor nodig is om de levens van dode mensen te kennen en om te weten over dingen die gebeurd zijn voordat we geboren waren. Diego en ik spelen altijd voetbal in de pauze. Jongetjes zijn leuker dan meisjes. De meisjes zijn stom. In de klas zitten ze elkaar altijd berichtjes te sturen en stom te lachen. In de pauze blijven ze zitten om ons te zien spelen. Mijn mama is ook stom.
Gisteren was de verjaardag van Diego, en Óscar, zijn papa, had en feest voor hem georganiseerd. Óscar heeft Diego een pistool gegeven dat precies lijkt op dat van polities, als hij kogels zou hebben zou hij echt zijn. Diego had ons uitgenodigd om bij hem gangstertje te komen spelen, maar ik mocht niet van mama. Ze kwam me halen in haar nieuwe auto. Een hoge blauwe auto. Ik zei dat ik de auto heel mooi vond, dat hij lekker rook. Mama zei wat leuk dat je hem mooi vindt, en dat ze hem als ik groot ben aan mij gaat geven. We waren nog niet eens de brug over, toen ging de mobiel, het was Marla, de mama van Diego, mijn mama zei dat het niks nieuws was dat ik dingen vergat, dat ik mijn hoofd niet verlies omdat hij vast zit, dat het geen probleem was, ze hoeft tot maandag toch niet naar school, we spreken af morgen om 5 uur, bedankt, een kus, tot later. Mama glimlachte dus ik vroeg haar waarom ik niet bij Diego mocht blijven. Ze zei daarom niet en daarmee uit. Ik zette de radio harder want dat liedje van "raitaboutnou fonsoolbroda, raitaboutnou fonsoolbroda" stond op, dat van het leuke voetbalspelletje op de Play Station, en mama zei dat hij zachter moest. Ik deed het niet, mama schreeuwde tegen me, ik deed of ik haar niet hoorde, als ze tegen me schreeuwt doe ik net of ik doofstom ben. Mijn moeder is stom. Ze begrijpt niks. Ze houdt niet van me. Ik haat mama.
Vandaag blijf ik de hele middag bij Diego. Mama gaat naar het theater met haar stomme vriend. Marla zegt tegen Diego dat hij zijn tanden moet poetsen. Diego moet naar de tandarts. Veruca springt en likt mijn handen. Veruca is een lieve hond. Marla zegt tegen Pablo dat hij op me moet passen. Ik vind Pablo niet leuk. Ik kan hem niet uitstaan. Pablo wil altijd lief doen tegen me. Hij maakt popcorn in de magnetron. Popcorn met caramel is lekkerder dan popcorn met kaas of boter. Pablo zet een video op van Bugs Bunny. Bugs Bunny is mijn favoriete konijn. Pablo doet het lucht uit. De kamer lijkt wel een bioscoop. Pablo gaat naast me zitten. Hij kijkt naar me. Ik vind de ogen van Pablo niet leuk. Pablo omhelst me. Hij drukt zicht tegen me aan. Hij kust me net als in de film. Hij doet mijn broek open. Ik vind de ogen van Pablo niet leuk. Ik geef hem een schop. Ik ren naar de deur. De deur is op slot. Pablo pakt mijn arm. Hij drukt me tegen zich aan. Hij doet me pijn. Veruca bijt hem. Veruca is een lieve hond. Ik ren gauw de trap op. Pablo pakt mijn been. Ik sla hem met een bloemenvaas op zijn hoofd. Hij gilt. Ik sluit me op in de kamer van Diego. Pablo heeft de sleutel. Hij opent de deur. Ik vind de ogen van Pablo niet leuk. Ik spring uit het raam. Alles draait. De lucht. De grond. De lucht. De grond. Alles is zwart.
Ik doe mijn ogen open. Diego omhelst me en hij geeft me een Kinder Huevo. De tandarts heeft hem aan hem gegeven omdat hij zo dapper is, maar hij heeft ook gezegd dat hij geen chocolade en snoep mag eten. Die tandarts is een beetje stom. Marla kijkt naar mijn hoofd en vraagt of ik me goed voel. Pablo geeft me een glas melk. Pablo zegt dat hij blij is dat er niks gebeurd is. Ik haat Pablo. Hij is een leugenaar. Mama komt me halen. Ze zegt hallo tegen Marla en tegen Pablo bedankt voor het oppassen. Mama zegt dat ik dag moet zeggen tegen Pablo. Doe ik niet. Mama zegt dat ik onbeleefd ben. Mama begrijpt niks. Ze is stom. Ik haat mama.
De droom
We zijn in Club Kathmandú. Plotseling is er een inval van de politie. We worden meegenomen, ik en nog wat anderen, ik weet niet meer wie. Terwijl we in de auto zitten probeer ik de drugs die ik bij me heb te verstoppen tussen de kussens van de zitting. Ik vraag me af waarom ze ons niet gefouilleerd hebben. Het doosje met wiet dat ik, nu ik weer over een tijdelijke voorraad beschik, altijd bij me draag, zit nog steeds in de broekzak aan de zijkant van mijn rechterbroekspijp. Het lukt me het doosje tussen de kussens te proppen, wat me verbaast. De smerissen letten helemaal niet op me.
We komen aan bij een huis, dat ik op de een of andere manier met Floor associeer, hoewel zij daar niet aanwezig is. Terwijl de anderen in een soort salon ondervraagd en (denk ik) mishandeld worden, loop ik vrij door het huis. Ik loop de trap af en kom terecht in een keuken, waar een aantal koelkasten staan. Ik kijk of de kust veilig is, en loop in de richting van de koelkasten. Ik hurk voor de meest rechtse, doe de deur open, en prop een stuk hasj dat ik nog in mijn broekzak had zitten, onder de koelkast. Ik zie de hasj zitten, want de bodem van de koelkast is van een dik soort matglas, met reliëf op het oppervlak. Ik hoor mensen komen, dus ik laat de hasj daar zitten, er is geen tijd voor bedenkingen. Ik sta op, en de mannen die binnenkomen nemen me mee naar de kamer waar ik ondervraagd word. Degene die mij onder handen gaat nemen ken ik, maar ik weet niet meer waarvan. Ik denk dat hij me herinnert aan een van de portieren van Kathmandú, en ook aan de agent uit de film "Más que amor frenesí". Hij zegt dat ik moet zitten.
Hij gaat achter mij zitten en bindt een soort leren riem voor mijn mond. Hij zegt iets dreigends in mijn oor, of beter, hij zegt iets dat niet zozeer dreigend is vanwege de woorden, maar meer vanwege de manier waarop hij ze uitspreekt; een zweem van sadistisch genoegen klinkt door.
Ik voel geen enkele angst, het enige dat ik me afvraag is waarom ze ons niet gefouilleerd hebben, en wat precies de reden is van onze arrestatie.
Blijkbaar ben ik veroordeeld tot gevangenisstraf, hoewel er geen proces plaatsvindt. Ik word afgevoerd naar een enorm veld bezaaid met tenten, een soort camping. Het blijkt de gevangenis te zijn. Ik krijg een tent toegewezen, een witte tent, waar ik rechtop in kan staan. Er ligt een éénpersoonsmatras met witte lakens. Het is heel licht in de tent. De gevangenen lopen los rond, het doet me denken aan de grote festivalcampings. Dan komt de man die me ondervraagd heeft met een grote auto de tent binnen rijden. Ik blijf staan waar ik sta, maar hij rijdt door, en ik word gedwongen opzij te springen. Hij rijdt de auto volledig de tent in. Hij en een vrouw stappen uit. De vrouw zegt in het Nederlands "We zijn vergeten je te hemmen", wat betekent dat ze me nog geen gevangeniskleding hebben gegeven. Pas nu besef ik dat iedereen hetzelfde vale, grijsgroene shirt draagt. Ik krijg er ook een. Ze verlaten de tent, en Ander komt de tent binnen lopen. Hij zegt dat we de tent moeten delen. Ik lach, en kijk naar het éénpersoonsmatras op de grond. We lachen, net zoals we op het werk altijd doen. Ik kijk naar buiten en vraag me af hoe lang ik moet zitten, waarom, en wat ik tegen mijn moeder moet zeggen.
Overpeinzingen op reis deel 2
16 April 1992
Een minuut of wat geleden zijn we de Frans-Spaanse grens overgegaan. Toch altijd weer een spannend moment, die douanekontrole. Voor hetzelfde geld wordt die 3 ton coke in m'n tas ontdekt en dan ben ik de lul. Voor Gert-Jan een gedenkwaardig moment trouwens, die grensovergang, want de eerste keer in zijn nog prille leven. Het moment is ook vastgelegd op tape.
We staan nu alweer enkele minuten stil. Er is één persoon uitgestapt, de jongen die 90 gulden moest lappen bij het vertrek, en het lijkt erop dat er ook iemand is ingestapt, maar dat is een beetje onduidelijk. Nu wachten we ergens op en mensen in de bus vragen zich af op wie dan in 's herennaam. Het is dan ook ongeveer kwart over 4 's ochtends. Intussen dwalen mijn gedachten weer af. Naar Evelien, vreemd, maar ik kan haar niet uit m'n hoofd zetten. Naar Barcelona. De geur van de Spaanse vrouw, die nu 2 stoelen voor zichzelf heeft, dringt zich aan me op. "There's 3 things that smell of fish." Ach ja, menselijke geuren, men heeft ze niet voor het uitkiezen.
We zijn nu weer onderweg. Ik denk terug aan 2 drie kwart jaar geleden, toen ik de weg Avignon-Barcelona liftend aflegde. Wat een hel. Na 6 uur liften en lopen in de snikhete zon werd ik eindelijk meegenomen door een vervaarlijk uitziende Franse vrachtwagenchauffeur, type redneck, met Confederate Flag in de cabine, en een enorme Dirty Harry gun die hi onder mijn stoel vandaan haalde en onder de zijne legde. "Tegen lastige lifters" bulderde hij van het lachen. Toen hij via zijn bakkie collega's vroeg of één van hen mij mee wilde nemen naar Spanje was er welgeteld één positief antwoord, dat van een vrouw die me wel mee zou nemen als ik haar de één of andere orale dienst wilde bewijzen als tegenprestatie. Uiteindelijk ging ik de Spaanse grens ging over met een oude man in een bestelbus vol benzine en motor-onderdelen. Bij Girona zette hij me af, en ik ben op een parkeerplaats in slaap gevallen. Een paar uur later nam een Duitse trucker me mee naar Barcelona. Die goede oude tijd.
Zojuist ontbeten in Girona. Het is 6 uur 's ochtends. De zure jongen is Rotterdams, vandaar natuurlijk. Hij had er in Figueres uitgemoeten, zo'n 50 km. geleden. Nu mag hij op kosten van Iberbús met de trein terug. "Spanje hè", waren zijn woorden ten afscheid. Ja, Spanje, heerlijk.
Vanochtend om ongeveer 8 uur zijn we in Barcelona aangekomen. De reis heeft 23 uur en 3 kwartier geduurd. Achteraf leek het niet zo lang als dat het tijdens de reis zelf leek. Barcelona, ik kon het niet geloven. Toen we uitstapten werd ik overweldigd door een gevoel van geluk, opperste vreugde. Alsof ik een verloren gewaande liefde na jaren weer ontwaarde. Yeah!
We liepen naar het metrostation Poble Sec en reden naar het grote station Sants, om de bagage weg te zetten en Xavi's moeder te bellen. Dit laatste wilde maar niet lukken, en we besloten een taxi (een taxi!) te nemen naar Plaça Catalunya, om de boel wat te verkennen.
Inmiddels zitten we bij Xavi, of liever, we liggen. In bed. Het ruikt naar chloor. Dan kan best kloppen, want de vloer is net gedweild. Helaas hebben we ons nog niet kunnen douchen, want in Xavi's huis is douche noch wc aanwezig. Het vergt enig aanpassingsvermogen (we kunnen voor 1 piek bij de sauna terecht) maar ach, zo lang we niet ruiken als die vrouw in de bus... God wat stonk dat mens, zeg, we hadden het er nog over. Het Brusselse meisje (één van de Franssprekende dames achter ons in de bus) had er om moeten lachen.
Ik ben doodop. Gertjan slaapt al, en Xavi zit TV te kijken. Het is een aardige jongen. We hebben de godganschen dag gelopen, de bekende routes, Ramblas, Plaça Catalunya, Sagrada Familia en noem zo nog maar een paar naar toeristen stinkende plaatsen op. Ik denk dat ik zo ook nog even ga slapen. Het wordt nog een lange nacht.
Overpeinzingen op reis deel 1
15 April 1992
We zitten nu in de bus van Amsterdam naar Barcelona. Het moet ongeveer 4 uur 's middags zijn. Het is vreemd dat je, althans zo ervaar ik het op dit moment, ieder benul van tijd kwijtraakt als je zo'n lange en vooral saaie reis maakt. Het regent constant, en op de busvideo wordt een slechte film vertoond, "King Solomon's Mines", die ook nog in het Spaans nagesynchroniseerd is. Bij dat soort films klinken de konversaties in de nasynchronisatie alsof men konstant ruzie heeft, en, zoals op het moment van schrijven, een gewoon bad klinkt als een verschrikkelijke neukpartij, zó doen de nasynchronisatiemevrouwen en -meneren hun best om geluiden van goedkeuring voort te brengen.
Tot nu toe verloopt de reis vrij voorspoedig (we zijn Parijs tot op zo'n 100 km. genaderd). Echt slapen komt er niet van, maar dat mag de pret niet drukken. Ik zie geen reet door de beslagen ruiten. Kutregen.
Ik mijmer wat voor me uit. Parijs is nu nog precies 100 km. ver. Wat zal de toekomst brengen? En in het bijzonder, de komende 3 weken? Morgen zullen we in Barcelona aankomen, en dan moet ik nog maar zien of we Xavi, met wie we afgesproken hebben dat we in zijn flat kunnen slapen, kunnen ontmoeten. Hij weet niet waar en wanneer we aankomen, en op zijn werk kan ik 'm niet bereiken, want morgen is fiesta, want Witte Donderdag. Ah, die kutfilm is afgelopen. Benieuwd wat Cinema Iberbús ons nu zal voorschotelen. Allerlei gedachten schieten door mijn hoofd. Evelien. Gisteravond was geslaagd te noemen. Ik vind haar wel erg leuk. Ze is mooi en gister was ze lief. Ik ken haar eigenlijk nauwelijks. Ik hoop dat ze het bandje leuk vindt.
Wat een saaie reis. Saaie mensen. De regen is opgehouden. Gertjan zit/ligt naast mij te slapen. Rechts van mij zit een Spaanse dikke vrouw, wier geur mij wat dierlijk voorkwam, toen ze binnenstapte. Ze werd gebracht door haar dochter, in Brussel. Ze heeft 3 woorden tegen mij uitgebracht, in het Frans ("Attention, ta tête!"), toen ik bijna m'n kop stootte tegen de monitor. Ik antwoordde in het Spaans. Naast haar zit een Nederlandse jongen, die toen-ie instapte 90 piek op tafel moest leggen, omdat de datum op z'n ticket niet klopte. Hij schopte een enorme ruzie met de dame van Iberbús en het kwam bijna tot een knokpartijtje met één van de chauffeurs. Het opwindendste moment van de dag. Later stapte hij in en vroeg de chauffeur in krom Spaans "Señor, perdoname por las problemas". Of hij die 90 ballen nou betaald heeft weet ik niet. Ik heb niet de behoefte hem dat te vragen.
Achter ons zitten 2 Franssprekende dames en daar weer schuin achter een Nederlandse jongen en een Spaanse oude man. Deze laatste zit konstant te ouwehoeren. De jongen kijkt ("Si....si") chagrijnig voor zich uit.
Ik weet niet goed waar we zijn. In ieder geval voorbij Parijs. Ik ben in de file op de Péripherique in slaap gevallen en toen ik wakker werd waren we op 417 km. van Lyon. De jongen naast de Spaanse oude man kijkt nog steeds chagrijnig. Misschien is hij wel gewoon een beetje verzuurd. Zo ziet-ie er tenminste wel uit.
Hoe laat het nu is mag joost weten. Heb net geslapen en ben wakker geworden door de fantastische muziek die de chauffeurs door de disco knallen. Ik moet zeiken als een beer en heb nu wel zin om even de beentjes te strekken. Volgens mijn berekeningen, en nog meer volgens de borden, moeten we nu ergens bij Dijon zijn.
We zijn nu onderweg in de donkere avond van Midden-Frankrijk. Het is ongeveer kwart voor 10 en het is aardedonker buiten. De maan verliest het vanavond van de wolkjes, vrees ik.
We hebben net gegeten. Het was goed te eten en in ieder geval beter te betalen dan bij de Belgen waar we vanmiddag aten. Er staat een film op, "The Man and the Island" (*) of zoiets, naar een boek van Hemingway. Ik zie er weinig van, omdat ik zo ongeveer onder de monitor zit. Kan me tóch niet concentreren, omdat de nachtelijke snelweg mij teveel intrigeert. Net als vroeger, toen ik met m'n ouders naar Salobre reed.
Salobre. Het is al 11 jaar geleden dat ik daar was. Ik weet me nog wel wat dingen te herinneren, dat het altijd zo vreselijk warm was en stil. Spelend de berg op en neer hollen. Vogeltjes schieten met de windbuks van neef Javi. Mari-Loli uit Valencia. Mooie herinneringen. Ik sprak toen nog geen woord Spaans. Door een speling van het lot, zo noem ik het altans, spreek ik het nu vloeiend. Ik verlang naar Spanje. Misschien, als het mogelijk is, gaan we nog naar Salobre, om opa en oma op te zoeken. Ik vraag me af hoe het met ze is. Ze schijnen nog altijd naar ons te vragen als papa ze belt. Vreemd vond ik dat, om te horen. Om de één of andere reden, die me eigenlijk volkomen onduidelijk is, heb ik altijd gedacht dat ze alleen naar Daniel, m'n broertje vroegen. Ed en ik zijn immers niet hun bloedverwanten, en bovendien heb ik het idee dat ze het maar nix vonden (vooral oma dan), hun zoon met een gescheiden vrouw met kinderen. Katholieken.
Ik merk aan m'n oren dat we snel dalen nu. De nacht wordt nog lang.
(*) bedoeld wordt "The old man and the sea"
Bakvis
In het theehuis bij mij om de hoek vertel ik haar dat ik mijn plannen gewijzigd heb; ik ga niet mee naar Mexico, tenminste, nog niet. Ik blijf nog eens 6 maanden hier in Madrid, pas daarna kan ik weg. Ze vat het een beetje gelaten op, maar dat is goed, want ik had een huilbui verwacht. Mijn geweten valt weer terug in haar luie stoel. We praten nog even door over onze plannen om deze stad voorgoed te verlaten en op avontuur te gaan, ze heeft zelfs al besloten op me te wachten! Ik sta versteld.
Na een uurtje lopen we naar buiten. Ze zegt nog geen zin te hebben om naar huis te gaan, en ze vraagt of ze bij mij mag komen zitten. Natuurlijk zeg ik ja, het is altijd goed ouwehoeren met haar en ik heb zelf ook niet echt slaap.
Ze is stil als we naar mijn huis lopen. De weg is stijl en ik kijk naar het beekje pis dat ons tegemoet stroomt vanaf het spuiterspleintje boven. Het stinkt. Ik kijk haar aan maar ze kijkt strak voor zich uit, met haar kaken gespannen.
Als we bij de voordeur staan zegt ze ineens iets.
"Wat zeg je?"
Ik draai me om. Haar ogen staan vol tranen.
"Ik ben bang. Ik wil echt wég hier. Wég."
Ze begint te huilen. Ik omhels haar, weet niet goed wat ik moet zeggen. Mijn geweten is weer opgestaan, heeft een stuk prikkeldraad gepakt en slaat er rigoureus op los.
"Kom mee naar boven."
Tussen slokken water en een hevig gesnik door begint ze uit te leggen dat ze bang is voor het leven, het dagelijkse leven dat haar verstikt.
"Niks interesseert me. De mensen hier interesseren me niet. Het leven hier interesseert me niet. Ik moet hier écht wég. Ik wil echt weg. Ik ben geobsedeerd. Ik wil het je vertellen, maar ik durf niet. Ik ben geobsedeerd door een persoon."
"Dat ben ik." Even snel als het kwam, verdwijnt de gedachte weer. Om plaats te maken voor Stephen Enkinsma.
Ik zet mijn computer aan. Als ik mijn WordPerfect-bestanden open, zie ik een document waar ik de naam niet van ken. Ik open het. Het scherm vult zich met een woordenbrij waar ik helemaal niets van begrijp. Ik bekijk het eens goed. Sommige letters zijn dikgedrukt. Ik schrijf ze op. S. T. E. P. H. E. N. E. N. K. I. N. S. M. A. "Stephen Enkinsma"? Het lijkt wel een Nederlandse achternaam, maar toch niet echt. Ik roep David erbij. zij kijkt ook op. Ze komt aanlopen. Haar gezicht kleurt donkerrood.
"Wat is dat in godsnaam?" vraagt David.
Ze begint zenuwachtig te lachen.
"Haal maar weg. Het is niks."
Ze kijkt me dwingend aan, haar ogen waarschuwen me niet verder te vragen.
Ik haal mijn schouders op en druk op delete.
"Weet je nog wat er in je WordPerfect stond, een paar maanden geleden?"
"Stephen Enkinsma, wie is dat?"
Ze draait zich om naar mijn cd verzameling, het gedeelte waar de letter P staat.
"Stephen Enkinsma is Malkmus?"
In het theehuis had ze de zanger van Pavement "de man van haar leven" genoemd.
"Ik had de letters destijds niet goed gemerkt. Ik was dronken. Hij heet Stephen Jenkins Malkmus, voluit. Toen ik Pavement voor het eerst hoorde was ik gefascineerd door zijn stem, ik vond het fantastisch, ik hield meteen van die groep. Ik had ze nog nooit gezien, geen foto, geen interview gelezen. Totdat ik op een dag een Melody Maker in handen kreeg en zijn gezicht op een foto zag."
Ze begint te huilen.
"En ik bleef maar staren naar dat gezicht, dat gezicht! Ik kon niets uitbrengen, was als versteend, ik wist niet wat ik moest doen!"
"Nou zo erg is dat toch niet" zeg ik, half lachend, voorzichtig.
"Maar dat is toch belachelijk!" roept ze, huilend nog steeds.
"Ik ken die hele vent niet! En ik krijg z'n gezicht niet uit m'n hoofd, wat ik ook probeer. Het is een obsessie, en ik weet niet hoe het te stoppen. En het stomste van alles is, als ik met hem praat valt alle schroom weg, geen enkel probleem. Ik heb hem geïnterviewd, ik heb met hem gedronken, gewoon gepraat, en niets! Maar als ik een foto van hem zie, of als ik zelfs maar aan hem denk, dan ben ik niks meer! En ik kan er niet meer tegen, ik kan het niet."
Ze verbergt haar gezicht in haar handen. Ze blijft maar huilen. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. "Misschien kende ze hem uit een vorig leven", en in mij brandt weer die eeuwige strijd los tussen "doe niet zo belachelijk, hippie" en "ja, misschien is dat wel zo".
"Misschien ken je hem wel uit een vorig leven."
(In mijn hoofd hamert het. "Jezus, wat klinkt dat toch belachelijk.")
"Misschien zijn jullie wel voorbestemd."
("Man o man wat kun je af en toe toch rare dingen zeggen.")
"Wat mooi."
Ik weet niet of ze de spot met me drijft of dat ze het meent.
"Ik heb dit nog nooit tegen iemand verteld."
"En, lucht het op?"
"Ja, het lucht op. Maar het blijft belachelijk, vind jij het niet raar dan?"
"Nou, nee, of eigenlijk, ik weet niet zo goed wat ik ervan moet vinden. Raar? Nee, het is niet raar. Het is niet alledaags, maar raar? Wat is nou raar? Ik denk wel dat het steeds minder een obsessie zal worden als je er gewoon over praat."
"Maar ik kan toch niet tegen jan en alleman zeggen dat Stephen Malkmus mijn obsessie is? Ik bedoel, ik koop alles wat maar iets te maken heeft met Pavement, elk blad met 4 woorden uit zijn mond heb ik thuis liggen, je weet wel, als de eerste de beste bakvis met posters op haar kamer, het is te belachelijk gewoon."
Maar ze lacht al met me mee. Ik voel me opgelucht.
Bookless: Blue

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
BLUE heeft een blouse genaamd "Björk". Blue heeft haar "Björk" genoemd, niet omdat ze Björk zo leuk vindt, maar omdat ze haar herinnert aan de hoes van diens tweede CD zonder de Sugarcubes. De blouse is roze met witte strepen, oranje bloemen en waterblauwe bellen. De strepen gaan alle kanten uit: van boven naar beneden, van beneden naar boven, van de ene kant naar de andere en de meeste diagonaal. De bloemen zijn verdeeld als confetti op het asfalt na een carnavalsoptocht. De bellen volgen het typische traject van de bellen uitgeblazen door een kind waar ook ter wereld.
De blouse genaamd Björk is de mooiste blouse die ik ooit gezien heb, en bovendien staat hij Blue heel erg goed. Ze had hem aan op de dag dat we naar het concert van Pulp gingen, in Finsbury Park. Mijn zus zei dat hij spuuglelijk was, dat ze hem nog niet eens aan zou trekken als ze dronken was. Ik kon ook niets anders verwachten van een Barbie van 20 jaar die het liefst gaat shoppen met mama en naar de Spice Girls luistert. Mijn zus is model, en hoewel ze in alle tijdschriften van de wereld verschijnt, zal ze nooit zo mooi zijn als Blue. Wat ik mooi vind aan Blue is dat ze haar geen cent betalen om mooi te zijn, ze gaat liever naar Pulp kijken dan dat ze gaat shoppen, en bovendien haat ze de Spice Girls. Tijdens het concert in Finsbury Park speelde Catatonia ook. Blue vindt Catatonia geweldig, vandaar dat het toegangskaartje voor het concert het beste verjaardagscadeau was dat ik haar kon geven. Ik had haar niet zo blij gezien sinds de dag dat ik haar Pop, haar kat, gegeven had.
Blue is niet als de andere meisjes die al hun geld uitgeven aan kleren, schoenen en cosmetica. Blue spendeert haar geld aan cd's en platen. Haar garderobe bestaat in feite uit kleren die ze met kerstmis cadeau heeft gekregen van haar moeder en haar broer, of van mij -want mijn zus geeft mij wat ze zelf niet leuk meer vindt-, en die we van haar tante Lola hebben gejat. Haar tante Lola heeft een kamer vol met kleren die ze in de loop van haar leven heeft verzameld. Gerangschikt op jaar en kleur. haar collectie is indrukwekkend. Ik heb haar nog nooit twee keer met dezelfde blouse gezien. Op een dag zeiden we haar ons wat kleren te geven die ze zelf niet meer zou dragen. Ze weigerde, ze zei dat ze dat niet kon doen, en daarmee uit. De egoïst. Wat ze ook aantrekt, ze ziet er nooit minder lelijk uit dan ze is. wat mijn theorie bewijst dat lelijke mensen lelijker lijken omdat ze slecht zijn, en niet omdat ze lelijk zijn, want soms is het lelijke zó lelijk dat het mooi is, maar als het lelijke slecht is, is het nog lelijker. Ik suggereerde Blue de kleren te jatten als ze ons een keer op haar huis liet passen als ze naar de Caribbean ging op zo'n cruise voor alleenstaanden. Maar ze zei nee, en dat ze dat haar tante niet kon aandoen.
Blue is ook zo'n lieverd. Wat ook weer de andere kant van mijn theorie bewijst, namelijk dat mooie mensen niet alleen mooi zijn omdat ze mooi zijn, maar omdat ze van binnen goed zijn; dat komt naar buiten en dat laat het lelijke, dat iedereen heeft, verdwijnen. En Blue heeft ook een tijd gehad dat ze lelijk was, toen ze tussen de elf en dertien jaar was. Ze was toen onuitstaanbaar. Ze sloot de hond op in de badkamer, en dat arme beest werd dan helemaal gek, als haar oma even niet oplette gooide ze een handvol zout in het eten en dan moest haar moeder pizza bestellen omdat het eten naar de Dode Zee smaakte, ze gooide honing en zand op het dak van de auto van de buren, en ze deed nog een hoop meer dingen waar ze nu spijt van zegt te hebben. Zoals ze ook spijt heeft van het jatten van haar tante's kleren, maar ik zeg haar dat die daar toch niet achter komt omdat ze zo achterlijk veel heeft. Blue voelt zich niet goed als ze iets slechts doet. En ook niet als ik dat doe. Ik heb haar gezegd dat als we slechte dingen doen, dat niet is omdat we willen maar omdat de mensen -die allemaal slecht zijn- ons daartoe dwingen, en dat het doen van slechte dingen als je geen andere keuze hebt, niet slecht is. Blue haalt diep adem, geeft me een kus en lacht. Daarna, net als iedere dag, doucht ze zich en wast ze heur haar met de shampoo met de kangoeroe erop, of met de L'Oreál voor kinderen die naar watermeloen ruikt en in een flesje in de vorm van een vis zit. Ze doet haar Doc Martens aan en een broek, of haar Birkenstock sandalen en een rokje. En dan zeg ik hoe mooi ze is, en dan lacht ze en kust ze me. Ik zeg haar dat ik altijd bij haar zal blijven en dat ik altijd voor haar zal zorgen. Blue kust me nog eens en ik weet dat ze de slechte dingen die we doen weer vergeten is.
En het ís ook niet slecht om slechte dingen te doen als je geen keus hebt; zoals toen ik de neus brak van haar buurman toen ik ontdekte dat hij haar bespiedde door het raam. Klootzak. Ik had geen keuze, ik kon de gedachte aan die goorlap die zich zat af te trekken terwijl hij aan haar dacht niet van me af zetten. Blue is ook zo mooi. Vooral als ze de blouse aan heeft die ze Björk noemt, en die haar zo goed staat.
Bookless: Shoegazers of the World Unite

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Het is niet zo dat ik één van de vele shoegazers ben, maar feit is dat ik zo'n 30% van de tijd die ik wandelend doorbreng, naar de grond kijk. Dankzij deze gewoonte heb ik veel dingen gevonden die andere mensen verloren hebben. Ik bewaar ze altijd, als ze me van pas komen op de daarvoor bestemde plaatsen in mijn huis, en als ik er niks mee kan op een andere plaats. Ik heb al een hele collectie hyperkitscherige dingetjes.
Op een zonnige middag in de zomer, ik weet niet meer of het nu juli of augustus was, liep ik met Isabel naar de supermarkt. We staken een straat over terwijl het groene oversteeklicht al aan het knipperen was, en plots zag ik iets glinsterends op de grond liggen. Ik hield onmiddellijk halt, net als de auto waarvan het nummerbord op minder dan 2 centimeter afstand van mijn oor bleef.
Uiteraard lokte mijn onbewuste actie een ongelukje uit: de witte Fiat Tipo die achter de BMW kwam die me bijna overreed, had geen tijd meer om te remmen en knalde er bovenop. Het laatste wat ik hoorde voordat ik me als een dief uit de voeten maakte was een "godverdomme, idioot, mijn God ik reed haar bijna omver", en het onmiskenbare geluid van een verkeersopstopping: toeterende auto's en hun luid protesterende eigenaars. We renden zo hard dat we niet merkten dat we de supermarkt al voorbij waren. Mijn hart ging tekeer als dat ene nummer van Ministry, "Jesus Built My Hotrod". Uitgeput gingen we zitten in het eerste het beste portiek dat we vonden. We waren er zeker van dat niemand ons gevolgd was, de eigenaar van de BMW was hoogst waarschijnlijk in zijn auto blijven zitten wachten op de mensen van zijn verzekering, of op de politieman die hem zou komen zeggen dat hj het verkeer niet op moest houden.
Ik wist wat er komen ging. Als dit soort dingen gebeuren, is het eerste wat mensen doen je wijzen op het feit dat je een idioot bent, dat je niks om je leven geeft of dat van anderen, in plaats van je te vragen of je okee bent of ofje een emmer koud water nodig hebt om onder de levenden terug te keren. Isabel zei niets van dit alles, zij was anders, alsof ze van een andere planeet kwam. Ze omhelsde me, en begon te huilen, blij dat me niks overkomen was. Nadat ze me vroeg of alles in orde was, wilde ze weten wat ik gevonden had. "Een paperclip", zei ik, en ik legde het object in haar hand. Ze begon te lachen, en ze vroeg me of ik wist dat het schrijvers geluk brengt als ze paperclips vinden. Ik zei dat ik dat niet wist, maar dat ik het alleen daarom al zou bewaren, en dat ik het nooit zou gebruiken. Vanaf die dag vind ik op de één of andere manier allerlei soorten paperclips op de gekste plaatsen: in de metro, in de supermarkt, in het park, in de bus en bij McDonald's. Ik bewaar ze allemaal. Ik heb er nu genoeg om een gemiddelde familie voorgoed van de gang naar de winkel voor kantoorbenodigdheden te verlossen. Isabel heb ik nooit meer gezien (waarschijnlijk is ze terug naar haar planeet), en in die tijd ben ik erachter gekomen dat ik dat ene ding mis wat de meeste schrijvers wél hebben: talent.
Bookless: Thought Thieves

Bookless is schrijfster en muziekjunk te Madrid, Spanje, hoewel oorspronkelijk afkomstig uit México DF, Mexico. Op haar eigen website publiceert ze haar schrijfsels in haar eigen taal, hier op Chez Lubacov staan enkele vertalingen.
Ze hebben altijd bestaan. Ze zijn er al die tijd geweest. Stil, alles observerend wat we deden, onze woorden, hoe onbetekenend ook, nauwlettend in de gaten houdend.
Ze zijn altijd dichtbij, met hun valse glimlach en die schittering in hun blik, wachtend op een moment van onoplettendheid van onze kant om onze bezittingen in te pikken. Meestal knipogen ze naar ons, al onze goede keuzes vierend, en al onze fouten benadrukkend. En hoewel het niet okee is wat ze doen, toch kan ik ze niet haten, want ik weet dat ze geen andere keus hebben.
Het moet niet leuk zijn om leeg te zijn, en ik neem aan dat als je geen talent hebt, noch enige vorm van intelligentie, je het toch ergens vandaan zult moeten halen. Helaas bestaan er nog geen plaatsen waar je nieuwe ideeën kunt kopen. De tweedehands ideetjes maken meestal niet zo'n indruk, zelfs degenen die into recycling zijn houden er niet zo van. Vandaar dat het stelen van ideeën de enige manier om te overleven wordt: leedvermaak voor de ene, pech voor de andere.
Het probleem van de ideeënroof is niet dat van de diefstal zelf, maar die verwerpelijke gewoonte die de dieven hebben om ze te koesteren, trots op ze te zijn zonder ooit hun oorsprong te kennen. Personen zonder scrupules die in onze levens infiltreren met een stupide glimlach en een geheimzinnige gang. Er is nog steeds geen apparaatje uitgevonden om ze te ontdekken, en omdat ze geen specifieke lichamelijke kenmerken hebben. Ik weet ook niet waarom ze deze verwerpelijke strategie volgen, in plaats van hun eigen potentieel te ontplooien. Er zijn ook mensen die zeker denken te weten dat ze zich in groepen bewegen, dus het is aan te raden om voorzichtig te zijn, mondje toe, enthousiasme verborgen en de vingers gekruist.