En ik dacht aan Evelien

19 maart 2003 | | categorie: schrijfsels

Ik wees hem de weg, ik liep met hem mee, ik ging toch die kant uit. Hij begon een gesprek, en vroeg of ik zin had om wat met hem te gaan drinken. Het regende. We kwamen terecht bij café Toomeloos. Ik denk dat ik een koffie verkeerd nam. En nog één. Hij dronk cognac, onderwijl vertellend over zijn zoon, die mijn leeftijd had, en over zijn vrouw, en over de tabaksplantages die hij had in Portugal. Hij had de liefde voor het Mediterraanse met mij gemeen, en daar draaide het in het hele gesprek om. En al die tijd waarschuwde mijn hoofd me dat hij wat van me wilde, maar tegelijk dacht ik dat het paranoia was, hij had immers een vrouw? Sukkel. Ach, ik woonde vlakbij dus ik was "veilig".
Ik dacht aan Evelien. En ik wist wat er gebeuren zou.
Toen we het café verlieten, stapten we in zijn auto, ondanks dat ik een straat verderop woonde. Bij de Helmersstraat aangekomen stelde hij voor naar zijn huis te gaan, hij wilde me dat huis laten zien. Ik dacht weer aan Evelien, en ik zei dat het okee was.
Hij woonde in Den Haag. We kwamen daar rond een uur of 2 's nachts aan. Het was een schitterend appartement. Hij had een speciale muziekkamer, en het geluidssysteem was aangelegd door het hele huis. Je zag de luidsprekers niet, maar alles klonk perfekt. Ik douchte me. Ik had hem doen beloven dat hij me de volgende ochtend om half 8 weer naar Amsterdam zou brengen. Ik weet niet waarom. Ik was bang, en het kon me aan de andere kant niets schelen wat er gebeurde.
Toen ik in bed lag, kwam hij de kamer in.
"Je wil niet dat ik bij je slaap, hè?"
"Nee."
"Dat is okee. Morgen wek ik je om 7 uur. Welterusten."
Gekweld door onrustige dromen sliep ik in.
Ik werd wakker omdat hij naast me kwam liggen. Hij sloeg zijn armen om me heen, en ik verstijfde. Waarom liet ik dit allemaal gebeuren? Ik wist het niet. En ik weet het nog steeds niet. En ik dacht aan Evelien. Ik hield van haar. Ik was verliefd op haar. Was het herfst? Ik weet niet meer welke maand het was, maar het regende.
"Je bent zo lekker zacht", zei hij. Toen liet hij me los.
"Het is 7 uur, ik heb ontbijt voor je klaargemaakt. Er ligt een schone handdoek in de badkamer, als je je nog wilt douchen. De rode tandenborstel is ongebruikt."
Hij liep de kamer uit, en ik liep naar de badkamer, met een enorme buikpijn.
Het ontbijt was lekker. Halfgekookt eitje, toast, kaas en boter, Ziggy speelde gitaar op de achtergrond. Ik voelde me rustig, en ik dacht aan Evelien.
Toen we in de Helmersstraat aankwamen, was het kwart over 8. Hij gaf me zijn telefoonnummer.
"Bel je me?"
Met een "Dat is goed" sloot ik het portier van zijn gloednieuwe Volvo, en deed of ik naar mijn huis liep.
Toen ik bij Evelien in de Kinkerstraat aankwam, vertelde ik haar het hele verhaal. Ze was kwaad, en vroeg me hoe ik dat in godsnaam had kunnen laten gebeuren. Maar wat was er nou helemaal gebeurd? Niets, helemaal niets.